Uitspraak
200606333/1heeft de Afdeling dit besluit vernietigd.
Raad van State
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland verleende op 13 december 2007 een gedoogbeschikking onder voorwaarden aan een vergunninghoudster voor het in werking hebben van een inrichting voor de op- en overslag van kolen, mineralen en ertsen in Amsterdam. Het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmerliede en Spaarnwoude maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening.
De voorzitter behandelde het verzoek op 25 maart 2008 en hoorde partijen, waaronder ook het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het bezwaar richtte zich onder meer op het niet publiceren van het voornemen tot gedoogbeschikking in Halfweg en de vrees voor overschrijding van grenswaarden voor zwevende deeltjes en stofhinder.
De voorzitter oordeelde dat het college van gedeputeerde staten zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat in Halfweg geen relevante milieugevolgen te verwachten waren vanwege de overheersende windrichting en beperkte stofimmissie. Tevens was er concreet uitzicht op legalisatie van de activiteiten, omdat een ontvankelijke aanvraag was ingediend en een ontwerpbeschikking ter inzage was gelegd. De aan de gedoogbeschikking verbonden voorwaarden werden als toereikend beschouwd om stofhinder te voorkomen of te beperken.
Gelet op deze overwegingen was er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek werd dan ook afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de gedoogbeschikking wordt afgewezen.