Uitspraak
200508746/1) wordt voorop gesteld dat [appellante] met de aanvaarding van de publieke taak om, ter bevordering van het algemeen belang van de verkeersveiligheid, keuringsbesluiten te nemen, een risico heeft genomen van verlies van keuringsbevoegdheid wegens het maken van fouten dat niet tot verwijtbare misslagen is beperkt. Evenals de voorzieningenrechter is de voorzitter van oordeel dat, ook al is het rapport door toedoen van een derde bij de eigenaar van het voertuig terechtgekomen, dit als afgifte als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Regeling door [appellante] moet worden beschouwd. De verantwoordelijkheid van [appellante] als erkenninghouder strekt zich er in het licht van de op haar rustende verplichting om het voertuig af te melden voordat het keuringsrapport wordt afgegeven mede toe uit dat de bedrijfsvoering zodanig is ingericht dat voorkomen wordt dat een derde de beschikking krijgt over het rapport van de door [appellante] verrichte keuring. Door haar bedrijfsvoering zodanig in te richten dat Bron toegang had tot het kantoor en de bureaula waarin het keuringsrapport was opgeborgen, heeft [appellante] het risico aanvaard dat Bron het keuringsrapport aan de eigenaar van het voertuig zou overhandigen, zonder dat het voertuig was afgemeld bij de RDW. [appellante] heeft de RDW door het resultaat van de keuring niet aan haar te melden de mogelijkheid onthouden om toezicht te houden in de vorm van een eventuele steekproef, waardoor het algemeen belang van de verkeersveiligheid, ten behoeve waarvan het erkenningstelsel met name in het leven is geroepen, in geding is geweest. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat artikel 44, eerste lid, in samenhang met het derde lid, van de Regeling is overtreden, zodat de RDW bevoegd was om een sanctie op te leggen. Het betoog van [appellante] faalt derhalve.
200304551/1is dit beleid niet onredelijk. Voorts is niet in geschil dat de opgelegde sanctie in overeenstemming is met dit beleid, waarbij de duur van de sanctie is gematigd omdat [appellante] in de afgelopen drie jaar slechts éénmaal een schriftelijke waarschuwing opgelegd heeft gekregen. Niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan de RDW in dit geval niet onverkort aan het beleid heeft kunnen vasthouden. Een zodanige omstandigheid is blijkens het onder 2.4.1 overwogene niet gelegen in het feit dat Bron het keuringsrapport uit het kantoor van [appellante] heeft weggenomen en aan de eigenaar van het voertuig heeft overhandigd.