ECLI:NL:RVS:2008:BD3619

Raad van State

Datum uitspraak
11 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200707399/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Monumentenwet 1988Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang bij monumentenvergunning

Appellante had een monumentenvergunning aangevraagd voor het gedeeltelijk vernieuwen van een pand ten behoeve van permanente bewoning, maar het college van burgemeester en wethouders van Maastricht wees deze aanvraag op 13 februari 2006 af. Hiertegen maakte appellante bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in bij de rechtbank Maastricht, dat eveneens ongegrond werd verklaard op 11 september 2007.

Appellante stelde daarna hoger beroep in bij de Raad van State. Tijdens de procedure bleek dat appellante het pand op 14 juli 2005 had gekocht, maar de koopovereenkomst op 23 december 2005 had ontbonden vanwege het uitblijven van de vereiste monumentenvergunning voor verbouwing. De Raad van State oordeelde dat appellante daardoor geen belang meer had bij het hoger beroep.

Hoewel appellante stelde dat zij schade had geleden door gemaakte kosten voor bouwplannen, werd dit niet als voldoende belang erkend. Daarom verklaarde de Raad van State het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan op 11 juni 2008 door de Afdeling bestuursrechtspraak.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang bij appellante.

Uitspraak

200707399/1.
Datum uitspraak: 11 juni 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. AWB 06/2359 van de rechtbank Maastricht van 11 september 2007 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht.
1. Procesverloop
Bij besluit van 13 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (hierna: het college) een aanvraag van [appellante] om verlening van een monumentenvergunning voor het gedeeltelijk vernieuwen van het pand [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) ten behoeve van permanente bewoning ervan afgewezen.
Bij besluit van 4 oktober 2006 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 september 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 19 november 2007.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Cartigny, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.A. Nymeijer-Hildering, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. [appellante] heeft het pand op 14 juli 2005 van de gemeente Maastricht gekocht. Op 23 december 2005 heeft zij de desbetreffende overeenkomst ontbonden wegens het uitblijven van de voor de verbouwing van het pand vereiste monumentenvergunning.
2.1.1. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij onder die omstandigheden belang heeft bij het door haar ingestelde hoger beroep. Zij heeft in dat verband weliswaar gesteld dat zij door de weigering schade heeft geleden in de vorm van kosten voor het maken van de bouwplannen door een architect, maar met deze aan de indiening van een aanvraag als deze nu eenmaal verbonden kosten is geen door haar geleden en voor vergoeding in aanmerking komende schade gesteld en tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt. Belang bij het ingestelde hoger beroep is overigens evenmin gebleken.
2.2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Larsson-van Reijsen
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2008
344.