ECLI:NL:RVS:2008:BD4769
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Vernietiging ongewenstverklaring vreemdeling wegens onvoldoende motivering categoriebescherming Somalië
De vreemdeling werd door de minister ongewenst verklaard en tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, dat door de staatssecretaris werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte geen rekening had gehouden met het categoriale beschermingsbeleid voor Somalië, waardoor een vermoeden van objectieve belemmering bestond bij de toetsing van artikel 8 EVRM Pro.
De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling terecht stelde dat het categoriale beschermingsbeleid voor Somalië volgens de Vreemdelingencirculaire 2000 een vermoeden van objectieve belemmering inhoudt, dat in het bestreden besluit niet gemotiveerd was weerlegd. De rechtbank had dit niet onderkend en daarom was het hoger beroep gegrond.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee werd de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro alsnog correct gemaakt, rekening houdend met de situatie in Somalië en de belangen van de Nederlandse kinderen van de vreemdeling.
Uitkomst: Het besluit tot ongewenstverklaring van de vreemdeling wordt vernietigd vanwege onvoldoende motivering van het categoriale beschermingsbeleid voor Somalië.