Art. 9 Rijkswet op het NederlanderschapArt. 300, eerste lid, Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek naturalisatie wegens gevaar voor openbare orde na werkstraf
Appellant heeft samen met zijn twee minderjarige kinderen een verzoek ingediend om het Nederlanderschap te verkrijgen. Dit verzoek werd door de minister van Vreemdelingenzaken en Integratie op 3 oktober 2006 afgewezen, waarna bezwaar en beroep werden ingesteld. De rechtbank Middelburg verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van de zaak betreft de toepassing van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), dat naturalisatie kan weigeren indien ernstige vermoedens bestaan dat de verzoeker gevaar oplevert voor de openbare orde. Appellant was op 16 december 2004 veroordeeld tot 30 uur werkstraf wegens overtreding van artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Deze straf viel binnen de rehabilitatieperiode van vier jaar voorafgaand aan het verzoek, waardoor volgens het beleid in de Handleiding voor de RWN het verzoek moest worden afgewezen.
Appellant voerde aan dat na het vonnis verzachtende omstandigheden waren ontstaan, waaronder het verbreken van banden met personen die hem onder druk hadden gezet, waardoor geen recidivegevaar meer zou bestaan. De rechtbank stelde echter dat deze omstandigheden niet bijzonder waren en dat het beleid niet zonder meer mocht worden verlaten. De Raad van State bevestigt deze beoordeling en oordeelt dat er geen aanleiding is om van het beleid af te wijken.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om naturalisatie wordt afgewezen wegens ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde binnen de rehabilitatieperiode.
Uitspraak
200800329/1.
Datum uitspraak: 25 juni 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], mede voor zijn twee minderjarige kinderen, wonend te [woonplaats], gemeente Reimerswaal,
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/269 van de rechtbank Middelburg van 4 december 2007 in het geding tussen:
[appellant], mede voor zijn twee minderjarige kinderen,
en
de minister van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een verzoek van [appellant], mede voor zijn twee minderjarige kinderen, om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 20 februari 2007 heeft de minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 4 december 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 januari 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De minister van Justitie (hierna: de minister) heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2008, waar [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den haag, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt een verzoek om naturalisatie afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, de volksgezondheid of de veiligheid van het Koninkrijk.
Bij de toepassing van die maatstaf heeft de minister de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) gehanteerd.
Volgens de Handleiding wordt een verzoek om naturalisatie wegens gevaar voor de openbare orde onder meer afgewezen, indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop (de zogenoemde rehabilitatieperiode) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd. Daarbij geldt dat iedere taakstraf (werk- of leerstraf), ongeacht de duur daarvan en ongeacht of die straf is opgelegd in plaats van een gevangenisstraf of een andere straf dan wel in het kader van een transactievoorstel, tot afwijzing van het verzoek leidt.
Voorts is het volgens de Handleiding in zeer bijzondere gevallen mogelijk dat een verzoek dat op grond van bovenstaande regels moet worden afgewezen, toch moet worden ingewilligd. Voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is het van het grootste belang dat niet snel van het beleid wordt afgeweken en moet zeer grote terughoudendheid worden betracht, aldus de Handleiding. Bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens tot de conclusie leiden dat de verzoeker geen gevaar vormt voor de openbare orde. Indien er wel sprake is van ernstige vermoedens dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt, mag hij volgens de Handleiding niet worden genaturaliseerd. Daarvan kan niet met toepassing van artikel 10 RWNPro worden afgeweken.
De Handleiding vermeldt voorts dat niet als bijzonder kunnen worden aangemerkt omstandigheden die hebben geleid of bijgedragen tot het misdrijf, aangezien die omstandigheden, voor zover zij als verzachtende omstandigheden hebben te gelden, door de strafrechter bij diens oordeel zijn betrokken. Evenmin kan volgens de Handleiding als bijzonder worden aangemerkt de omstandigheid dat de verzoeker de misdraging heeft gepleegd in een bijzonder moeilijke periode die definitief is afgesloten.
2.1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 november 2005 in zaak nr. 200502036/1), mag het bevoegd gezag het interpretatief beleid betreffende de toepassing van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN (hierna: het beleid) als zodanig hanteren, doch dient er daarbij rekening mee te houden dat zich omstandigheden kunnen voordoen op grond waarvan slechts tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen indien van dat beleid wordt afgeweken. Van een dergelijke omstandigheid kan bijvoorbeeld worden gesproken indien de periode tussen het gepleegde strafbare feit en de tenuitvoerlegging van de deswege opgelegde sanctie als bijzonder lang moet worden aangemerkt en aannemelijk is geworden dat de te late tenuitvoerlegging is te wijten aan nalaten van de justitiële overheid.
2.2. Niet in geschil is dat [appellant] op 16 december 2004 door de politierechter te Utrecht wegens overtreding van artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is veroordeeld tot 30 uren werkstraf subsidiair 15 dagen hechtenis, dat dit vonnis op 31 december 2004 onherroepelijk is geworden en dat [appellant] de werkstraf inmiddels heeft voltooid. Evenmin is in geschil dat toepassing van het beleid, zoals neergelegd in de Handleiding, noopt tot afwijzing van het verzoek om verlening van het Nederlanderschap, omdat op grond van het gedrag van [appellant] ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, nu de in de Handleiding genoemde rehabilitatieperiode nog niet is verstreken.
2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat de politierechter bij het opleggen van de hoogte van de straf rekening heeft gehouden met eventuele verzachtende dan wel bijzondere omstandigheden, voorbij is gegaan aan zijn betoog dat na de datum van het vonnis van de politierechter zich verzachtende omstandigheden hebben voorgedaan waar deze derhalve geen rekening mee heeft kunnen houden. Hij is nadien verhuisd en heeft alle banden verbroken met de personen en instanties die hem naar hij stelt, psychisch onder druk hebben gezet, waardoor er volgens hem geen recidivegevaar bestaat. De rechtbank heeft volgens hem tevens ten onrechte overwogen dat de door hem aangevoerde omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat er voor de minister aanleiding had moeten zijn om van het beleid af te wijken.
2.3.1. Anders dan [appellant] betoogt, is de rechtbank niet aan voormelde omstandigheden voorbijgegaan. Zij heeft immers overwogen dat [appellant] heeft gesteld dat oorzaak en locatie van zijn eerdere problemen niet meer hetzelfde zijn en dat de door hem aangevoerde omstandigheden niet bijzonder zijn.
Gelet op hetgeen is overwogen in de rechtsoverwegingen 2.1. en 2.1.1., heeft de rechtbank hetgeen [appellant] heeft aangevoerd terecht niet aangemerkt als bijzondere omstandigheden.
Het betoog faalt.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.