ECLI:NL:RVS:2008:BD5485
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- M.A.A. Mondt Schouten
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortvarendheid staatssecretaris bij vreemdelingenbewaring en uitzetting
De vreemdeling werd op 24 april 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld met als doel zijn uitzetting. Kort daarna vond een identiteitsgehoor plaats om noodzakelijke gegevens te verkrijgen voor de uitzetting. De vreemdeling voerde aan dat gedurende een periode van dertien dagen, inclusief feest- en blokdagen, geen concrete uitzettingsactiviteiten waren verricht, wat volgens hem onvoldoende voortvarendheid van de staatssecretaris betekende.
De staatssecretaris stelde dat de feestdagen en blokdagen, evenals de geplande zitting bij de rechtbank, de reden waren voor de tijdelijke onderbreking van activiteiten. De Raad van State bevestigde dat hoewel voortvarendheid vereist is, het redelijk is dat buiten reguliere werkdagen niet dezelfde inspanningen worden geleverd. Wel moet de staatssecretaris voorzieningen treffen om onnodige vertraging te voorkomen.
De Raad concludeerde dat de staatssecretaris in dit geval geen bijzondere voorzieningen hoefde te treffen en dat de periode zonder concrete activiteiten niet onredelijk lang was, mede gezien het identiteitsgehoor en het geplande vertrekgesprek. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.