ECLI:NL:RVS:2008:BD5527
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.H.M. van Altena
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring zonder zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
De vreemdeling werd op 16 april 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de Dienst Terugkeer en Vertrek had bemiddeld bij het aanvragen van een laissez passer, maar dat de diplomatieke vertegenwoordiging op 9 januari 2008 had bericht geen laissez passer te kunnen afgeven. Er waren geen nieuwe ontwikkelingen die anders deden vermoeden dat er zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn ten tijde van de inbewaringstelling.
Hierdoor was geen grond aanwezig om te veronderstellen dat zicht op uitzetting bestond bij het opleggen van de bewaring. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. Tevens werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van een schadebedrag en proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de vreemdelingenbewaring wordt vernietigd wegens ontbreken van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn.