ECLI:NL:RVS:2008:BD5531
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- M.A.A. Mondt Schouten
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en bekendheid opvangadres ten tijde van vrijheidsontneming
De vreemdeling werd op 14 april 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank ’s-Gravenhage verklaarde het beroep tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of ten tijde van de vrijheidsontneming een bij de staatssecretaris bekend opvangadres bestond waar de vreemdeling kon verblijven. De rechtbank oordeelde dat dit pas bekend werd bij ontvangst van een verklaring van stichting de Zuidwester op 22 april 2008, na de inbewaringstelling.
De Raad van State oordeelde dat dit onjuist was. Uit het verweerschrift bleek dat voorafgaand aan de inbewaringstelling contact was geweest met het opvangadres van de vreemdeling, de Kinder Woongroep Roosendaal, en met de staatssecretaris. Hierdoor was het opvangadres al bekend ten tijde van de vrijheidsontneming. De uitspraak van de rechtbank werd daarom vernietigd en de zaak werd terugverwezen voor herbeoordeling met inachtneming van deze vaststelling.
Daarnaast stelde de Raad van State de proceskosten in hoger beroep vast op €322,00 en bepaalde dat de rechtbank over de vergoeding daarvan beslist.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbeoordeling.