Uitspraak
200203532/1(AB 2003, 241), het recht van openbaarmaking ingevolge de Wob uitsluitend het belang van een goede en democratische bestuursvoering dient. Het komt iedere burger in gelijke mate toe. Daarom kan geen onderscheid worden gemaakt naar de persoonlijke belangen en oogmerken van de verzoeker. De door [appellante] gestelde schending van haar persoonlijke levenssfeer, doordat haar verstrekking van het rapport wordt geweigerd, is een persoonlijk belang en kan derhalve niet worden betrokken bij de te verrichten belangenafweging in het kader van de Wob. De vergelijking met de genoemde uitspraak van het Hof, gaat, nog daargelaten dat in dat geval niet was voorzien in een wettelijke regeling omtrent de mogelijkheid tot inzage, niet op omdat voor zover het haar betreffende persoonsgegevens betreft, niet is bestreden dat zij daarover heeft beschikt of kan beschikken.