Uitspraak
200700629/1) brengt een redelijke wetsuitleg met zich dat de bescherming die artikel 3, tweede lid, van de Wet stankemissie biedt tot behoud van bestaande rechten voor dieren waarvoor een omrekeningsfactor geldt, van overeenkomstige toepassing is op andere diersoorten. De bij het bestreden besluit verleende vergunning houdt ten opzichte van de voor de inrichting geldende vergunning echter een toename in van zowel het aantal dieren als het aantal mestvarkeneenheden, zodat vergunningverlening niet op artikel 3, tweede lid, van de Wet stankemissie kan worden gebaseerd. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd met de Wet stankemissie.