ECLI:NL:RVS:2008:BD6715

Raad van State

Datum uitspraak
9 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200707360/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang na intrekking last onder dwangsom en verkoop pand

Het dagelijks bestuur van stadsdeel Oud-Zuid legde appellant bij besluit van 2 december 2004 een last onder dwangsom op om voorzieningen aan een pand te treffen. Dit besluit werd op 2 oktober 2005 ingetrokken na een brand in het pand waardoor de voorzieningen niet meer toereikend waren. Appellant stelde bezwaar en beroep in tegen het oorspronkelijke besluit, maar deze werden ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State. Tijdens de behandeling bleek dat appellant sinds 11 april 2006 geen eigenaar meer was van het pand en dat de situatie door de brand en sloop van delen van het pand was gewijzigd.

De Raad van State oordeelde dat appellant geen belang meer had bij het hoger beroep omdat het oorspronkelijke besluit was ingetrokken en de situatie fundamenteel was veranderd. Ook had appellant niet aannemelijk gemaakt schade te hebben geleden door het achterwege blijven van een aanschrijving over de scheefstand van de vloeren. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.

Uitspraak

200707360/1.
Datum uitspraak: 9 juli 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. 06/5484 van de rechtbank Amsterdam van 3 september 2007 in het geding tussen:
[appellant]
en
het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid.
1. Procesverloop
Bij besluit van 2 december 2004 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid (hierna: het dagelijks bestuur) appellant aangeschreven een aantal met name genoemde voorzieningen aan het pand [locatie] (hierna: het pand) te treffen en een last onder dwangsom opgelegd deze voorzieningen binnen een jaar na de dag van verzending van de aanschrijving aan te vangen en binnen een termijn van twee jaar na de dag van verzending van de aanschrijving te voltooien.
Bij besluit van 2 oktober 2005 heeft het dagelijks bestuur het besluit van 2 december 2004 ingetrokken.
Bij besluit van 2 oktober 2006 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] tegen het besluit van 2 december 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 september 2007, verzonden op 10 september 2007, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 oktober 2007, hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn naar de andere partij gezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2008, waar [appellant] en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. G. van der Kuil, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het dagelijks bestuur in zijn aanschrijving van 2 december 2004 ook de scheefstand van de vloeren van het pand had moeten betrekken.
2.2. Het dagelijks bestuur heeft de aanschrijving van 2 december 2004 ingetrokken, omdat in de nacht van 7 maart 2005 op 8 maart 2005 in het pand een uitslaande brand heeft gewoed, waardoor de in die aanschrijving genoemde voorzieningen niet meer toereikend waren. Vervolgens zijn de tweede en de derde etage gesloopt. [appellant] is sinds 11 april 2006 geen eigenaar meer van het pand.
Op grond van deze feiten en omstandigheden moet worden vastgesteld dat [appellant] met het instellen van het hoger beroep niet kan bewerkstelligen wat hij beoogt te bereiken. Nu [appellant] evenmin tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt schade te hebben geleden als gevolg van het achterwege blijven van de aanschrijving voor de scheefstand van de vloeren, wordt geoordeeld dat hij geen belang meer heeft bij een oordeel over de juistheid van de aangevallen uitspraak.
2.3. Het hoger beroep is derhalve niet-ontvankelijk.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Bijloos w.g. Lodder
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2008
17.