Uitspraak
200504984/1geoordeeld dat de zinsnede "ter vergroting van het woongenot" naar objectieve maatstaven moet worden uitgelegd. In de nota van toelichting behorende bij het Bblb wordt naar aanleiding van de zinsnede "dient ter vergroting van het woongenot" overwogen: "Met dat laatste wordt bedoeld dat het gebruik direct gerelateerd moet zijn aan de woonfunctie. Dat betekent dat er geen gebruik mag worden gerealiseerd dat zich niet verhoudt met de gebruikelijke woonbestemming" (Staatsblad 2002, 410, p. 27). Nu moet worden vastgesteld dat het bouwplan strekt tot het uitbreiden van de op de benedenverdieping te vestigen praktijkruimte, kan niet worden staande gehouden dat de uitbreiding direct verband houdt met de woonfunctie en om die reden zou strekken ter vergroting van het woongenot van de boven de praktijkruimte gelegen woning. In dit verband is van belang dat de verleende vrijstelling niet is beperkt tot het voeren van een praktijk aan huis, zodat de praktijkruimte niet alleen kan worden gebruikt door degene die boven de praktijkruimte woont, maar ook door een elders wonende tandarts. De rechtbank is derhalve terecht tot de slotsom gekomen dat het bouwen van de uitbouw niet kan worden aangemerkt als bouwen, waarvoor op grond van artikel 43, eerste lid, onderdeel c, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder a, van het Bblb geen bouwvergunning is vereist. Het betoog faalt.