ECLI:NL:RVS:2008:BD6912
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke aanhouding
De vreemdeling werd op 2 mei 2008 strafrechtelijk aangehouden wegens een overtreding en na heenzending direct in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank had geoordeeld dat de strafrechtelijke aanhouding onrechtmatig was en daardoor ook de vreemdelingenbewaring onrechtmatig, met toekenning van schadevergoeding.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en voerde aan dat de rechtbank niet bevoegd was de rechtmatigheid van de strafrechtelijke aanhouding te toetsen bij de beoordeling van de vreemdelingenbewaring. De Raad van State bevestigde dat de strafrechtelijke aanhouding buiten de toetsing van de vreemdelingenrechter valt, tenzij een bevoegde strafrechter de onrechtmatigheid heeft vastgesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens wees zij het verzoek om schadevergoeding af en oordeelde dat geen proceskostenveroordeling nodig was. De toepassing van artikel 64 Vreemdelingenwet Pro 2000, inzake uitstel van uitzetting om gezondheidsredenen, was in deze zaak niet aan de orde.
Hiermee werd bevestigd dat de vreemdelingenrechter zich moet beperken tot de beoordeling van het vreemdelingenrechtelijke traject en niet mag oordelen over de strafrechtelijke aanhouding voorafgaand aan de vreemdelingenbewaring.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de vreemdelingenbewaring als rechtmatig bevestigd.