200707259/1.
Datum uitspraak: 16 juli 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/1228 van de rechtbank Arnhem van 11 september 2007 in het geding tussen:
het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen.
Bij besluit van 24 mei 2006, voor zover thans van belang, heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] vrijstelling te verlenen voor het uitbreiden van het gebruik en de bebouwing aan de [appellant] te [plaats] (hierna: het perceel) met het oog op het gebruik als supermarkt.
Bij besluit van 14 februari 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 september 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 22 november 2007.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juni 2008, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. A.J.C. van der Heijden, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2.1. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Bemmel 1978" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied".
Ingevolge artikel 60, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften is het verboden opstallen - of delen daarvan - en gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.
Ingevolge het zesde lid, is het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing op:
a. gebruik van opstallen - of delen daarvan - en grond strijdig met de bestemming aan de grond gegeven in het plan, voor zover dit gebruik reeds plaatsvond ten tijde van het van kracht worden van het plan, zolang in de aard van dat gebruik geen wijziging wordt aangebracht;
b. een gewijzigd gebruik van opstallen - of delen daarvan - en grond, anders dan ten tijde van het van kracht worden van het plan, is toegestaan indien dit gewijzigde gebruik - ter beoordeling van het college - minder strijdig zal zijn met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.
Ingevolge het zevende lid, - voor zover thans van belang - verleent het college vrijstelling van het bepaalde in het eerste lid, indien strikte toepassing van de verbodsbepaling zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
2.2. Het gebruik van het perceel en de bestaande bebouwing voor de exploitatie van een supermarkt is in strijd is met de daarop rustende bestemming.
2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het gebruik van het perceel ten behoeve van een supermarkt is toegestaan, omdat bij het verlenen van de bouwvergunning voor het bouwen van een loods ter vervanging van de bestaande opstallen op het perceel op 20 oktober 1992 tevens impliciet vrijstelling is verleend voor dat gebruik.
2.3.1. Het betoog faalt. Daargelaten of enig met het bestemmingsplan strijdig gebruik kan worden geacht voort te vloeien uit de door het college op 20 oktober 1992 verleende bouwvergunning, zou dit het gebruik van de loods ten tijde van de aan voormelde bouwvergunning ten grondslag liggende aanvraag betreffen, dat, zoals uit de stukken blijkt en ter zitting door [appellant] is bevestigd, niet het gebruik als supermarkt was.
2.4. Voorts heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat op het gebruik van het perceel en de bestaande bebouwing ten behoeve van een supermarkt het overgangsrecht niet van toepassing is, omdat daarmee in de aard van het gebruik dat ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan plaatsvond, te weten in hoofdzaak handel in antiek en bouwmaterialen, een wijziging wordt aangebracht waardoor de afwijking van de bestemming wordt vergroot.
2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte heeft geweigerd ingevolge artikel 60, zevende lid, van de planvoorschriften vrijstelling te verlenen voor het gebruik van het perceel en de bestaande bebouwing ten behoeve van een supermarkt.
2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 oktober 1997 in zaak nr. H01.96.0909; AB 1998, 308) is het verlenen van een vrijstelling op grond een zogenoemde toverformule eerst mogelijk, indien een zinvol gebruik overeenkomstig het geldende bestemmingsplan objectief bezien niet meer mogelijk is. Met een gebruik overeenkomstig de bestemming valt naar zijn aard gelijk te stellen gebruik dat blijft binnen de grenzen van een verleende vrijstelling. Reeds omdat gebruik binnen de grenzen van de op 6 oktober 2006 verleende vrijstelling, namelijk gebruik ten behoeve van de handel in antiek en bouwmaterialen, objectief bezien nog mogelijk is, behoort toepassing van de in artikel 60, zevende lid, van de planvoorschriften vervatte toverformule niet tot de mogelijkheden.
2.6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) te verlenen voor het oprichten van bouwwerken ten dienste van reguliere detailhandelsactiviteiten op het perceel.
2.6.1. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich in het besluit van
14 februari 2007 niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestaande planologische inzichten en de daaruit voortvloeiende ontwikkelingsinrichting voor het betreffende gebied reguliere detailhandel in de weg staan. Dat het college dit standpunt ter zitting van de rechtbank, onder verwijzing naar het structuurplan "Land over de Waal" nader heeft onderbouwd, maakt dat niet anders.
2.6.2. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft geweigerd vrijstelling, als verzocht, te verlenen, is dat evenzeer tevergeefs. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college in andere gevallen vrijstelling heeft verleend voor het oprichten van bouwwerken ten behoeve van detailhandelsactiviteiten in het gebied waarin het perceel is gelegen.
2.6.3. De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen. Het betoog faalt.
2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Soede
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2008