Het college van burgemeester en wethouders van Ede verleende op 26 juni 2007 een vergunning aan appellant voor het oprichten en exploiteren van een inrichting voor inkoop, opslag en verkoop van nieuwe en gebruikte verpakkingen, waaronder IBC's, op een locatie te Ede. De vergunning bevatte voorschrift 61a dat de maximale stapelhoogte van de opslag van brandbare materialen op het buitenterrein regelde.
Appellant maakte bezwaar tegen dit voorschrift omdat de maximale stapelhoogte van vier lagen niet overeenkomt met de aangevraagde opslag in twee blokken met vijf en zes lagen. Hierdoor zou de opslagcapaciteit afnemen van 11.000 ton naar 9.760 ton. Appellant betoogde dat de gebruikte rekenmethode voor warmtestralingsbelasting onjuist was toegepast, aangezien deze methode bedoeld is voor houtopslag en niet voor de binnen de inrichting opgeslagen stoffen.
De Raad van State stelde vast dat zowel de aanvrager als het college onjuiste en inadequate modellen en uitgangspunten hadden gehanteerd bij de beoordeling van de brandveiligheid. Het deskundigenbericht wees uit dat de gebruikte methode niet geschikt is voor IBC's en dat relevante onderzoeken niet waren betrokken bij de besluitvorming. Dit leidde tot strijd met de zorgvuldigheidseis van artikel 3:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad van State verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en gelastte vergoeding van het betaalde griffierecht. Er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard en het besluit tot vergunningverlening is vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldigheid in de brandveiligheidsbeoordeling.
Uitspraak
200705410/1.
Datum uitspraak: 16 juli 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Ede,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 26 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ede (hierna: het college) een vergunning verleend aan [appellante] voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de inkoop, opslag en verkoop van nieuwe en gebruikte verpakkingen (vaten/jerrycans en "Intermediate Bulk Containers" (hierna: IBC's) aan de [locatie] te [plaats]. Het besluit is op 4 juli 2007 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 juli 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 september 2007.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2008, waar d[appellante], vertegenwoordigd door E.C. Koets en C. Cornelissen en het college, vertegenwoordigd door G. H. Landeweerd, H. de Jong en E.J. van Veldhuizen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellante] en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.
Met toestemming van partijen is afgezien van een verdere behandeling van de zaak ter zitting.
2. Overwegingen
2.1. [appellante] heeft bezwaar tegen vergunningvoorschrift 61a. waarin de omvang van de opslag van brandbare materialen als IBC's op het buitenterrein wordt geregeld. Zij stelt dat de in dit voorschrift voorgeschreven maximale hoogte met zich brengt dat de IBC's slechts in vier lagen kunnen worden opgestapeld, terwijl zij heeft aangevraagd de IBC's in twee blokken te mogen opstapelen waarbij de buitenste rijen 5 lagen hoog zijn en de binnenste rijen 6 lagen hoog. Volgens [appellante] betekent dit dat niet het aangevraagde aantal van 11.000 ton IBC's opgeslagen kan worden maar slechts 9.760 ton.
Hierbij is volgens [appellante] ten onrechte uitgegaan van een berekeningsmethode voor de warmtestralingsbelasting bij brand voor de opslag van hout. Volgens [appellante] kan die methode niet voor de binnen haar inrichting opgeslagen stoffen worden gebruikt.
2.1.1. Het college stelt de opslaghoogte beperkt te hebben in verband met de brandveiligheid. Hij heeft het bij de aanvraag gevoegde onderzoek van DGMR laten beoordelen door een deskundige van bureau Nieman en op grond daarvan de stapelhoogte beperkt tot vier lagen. Voorts stelt het college dat op grond van vergunningvoorschrift 61b een hogere stapelhoogte toegestaan kan worden indien een gelijkwaardige oplossing wordt gevonden, waarbij wordt voldaan aan de prestatie-eis van 15kW/m2 warmtestralingsbelasting in geval van een brand.
Tevens stelt het college dat uit de berekeningen van DGMR blijkt dat het kunststof van de IBC's goed is te vergelijken met de vuurbelasting van een houtpaletopslag.
2.1.2. De Afdeling stelt vast dat juiste gegevens aangaande de warmtestralingsbelasting in geval van een brand noodzakelijk zijn om te bepalen hoeveel IBC's door de aanvrager kunnen worden opgeslagen en welke eisen eventueel aan die opslag gesteld moeten worden. Uit de stukken, waaronder in het bijzonder het deskundigenbericht, blijkt dat zowel voor de aanvraag als bij de beoordeling door het college inadequate modellen en uitgangspunten zijn gehanteerd bij de beoordeling van de brandveiligheid van de buitenopslag van IBC's. In de gehanteerde rekenmethode "Bepalingsmethode warmtebelasting opslag van hout" wordt gesteld dat deze methode niet bruikbaar is voor de opslag van andere brandbare stoffen. Daarnaast blijkt uit het deskundigenbericht dat er wel onderzoeken naar de eigenschappen van IBC's bij brand beschikbaar zijn. Deze zijn echter niet bij de beoordeling van het bestreden besluit betrokken.
Uit het vorenstaande volgt dat het besluit tot stand is gekomen in strijd met de in artikel 3:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht vereiste zorgvuldigheid.
2.2. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.
2.3. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van 26 juni 2007, kenmerk WM/2006-089;
III. gelast dat de gemeente Ede aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 -(zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.