ECLI:NL:RVS:2008:BD7390
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- P.M.M. de Leeuw-van Zanten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving verbod onzelfstandige bewoning zonder vergunning in Den Haag
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag legde appellante een dwangsom op om de onzelfstandige bewoning van een woning te beëindigen, omdat deze zonder vergunning plaatsvond. Appellante maakte bezwaar en stelde dat de bewoners een duurzame gemeenschappelijke huishouding vormden, waardoor geen vergunning nodig zou zijn. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat volgens de Huisvestingswet en de regionale verordening zelfstandige woonruimte een eigen toegang vereist en bewoond moet worden door een huishouden dat een duurzame gemeenschappelijke huishouding voert. De controle van de woning toonde aan dat drie bewoners onzelfstandig woonden en dat de samenstelling van de bewoners kort na de controle was gewijzigd. De Raad oordeelde dat de voorzieningenrechter terecht heeft geoordeeld dat er geen sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, mede omdat de bewoners niet gelijktijdig waren ingeschreven en het huurcontract niet gezamenlijk was.
Verder stelde de Raad dat het college terecht handhavend kon optreden, omdat geen concrete aanwijzingen waren voor legalisatie en er geen bijzondere omstandigheden waren die handhaving onevenredig maakten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college mag handhavend optreden tegen onzelfstandige bewoning zonder vergunning.