ECLI:NL:RVS:2008:BD8326

Raad van State

Datum uitspraak
17 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200802767/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
  • M.W. Wijers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bouwvergunningen Veenendaal

Het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal verleende op 12 juni 2007 bouwvergunningen en vrijstellingen aan de Bouwcombinatie voor het realiseren van commerciële ruimten, appartementen, een parkeerkelder, apotheek en cultuurcluster op een perceel in Veenendaal. Na bezwaar van verzoekster werd dit besluit herroepen en opnieuw verleend. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van verzoekster ongegrond.

Verzoekster stelde vervolgens een verzoek om voorlopige voorziening in bij de Raad van State om de bouwvergunningen te schorsen. De voorzitter overwoog dat genomen besluiten in beginsel uitvoerbaar zijn, zeker na een ongegrondverklaring door de rechtbank. Er was geen aanleiding om aan te nemen dat de uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zou blijven.

De voorzitter nam mee dat het college terecht gebruik mocht maken van de verklaring van geen bezwaar van het college van gedeputeerde staten, ondanks eerdere circulaires. Ook de geluidbelasting en het woon- en leefklimaat waren naar voorlopig oordeel aanvaardbaar. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen, zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de bouwvergunningen wordt afgewezen.

Uitspraak

200802767/2.
Datum uitspraak: 17 juli 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak in zaak nrs. 08/310 en 08/311 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 13 maart 2008 in het geding tussen:
[verzoekster]
en
het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal.
1. Procesverloop
Bij besluiten van 12 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal (hierna: het college) aan [vergunninghouder] (hierna: de Bouwcombinatie) vrijstelling en bouwvergunningen verleend voor het oprichten van commerciële ruimten, appartementen, parkeerkelder, apotheek en cultuurcluster op het perceel Brouwersstraat/Zwaaiplein/Verlaat te Veenendaal (blok 2, 3 en 4).
Bij besluit van 18 december 2007 heeft het college het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, deze besluiten herroepen en opnieuw vrijstelling en bouwvergunningen verleend.
Bij uitspraak van 13 maart 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 april 2008, hoger beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 april 2008, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 juli 2008, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. A.M.R. Klijn, advocaat te Amsterdam, en dhr. ir. A.C.R. Kessen, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.M.A. Delissen-Buijnsters, advocaat te Arnhem, mr. C. van Deutenkom, advocaat te Arnhem, en H.G. van Olderen en R.J. Coers, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is ter zitting de Bouwcombinatie, vertegenwoordigd door mr. B.G. Corsius, advocaat te Utrecht, en F.J.P.M. Koopman, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het verzoek van [verzoekster] strekt tot schorsing van de verleende bouwvergunningen.
2.3. Genomen besluiten zijn in het algemeen uitvoerbaar, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Dit uitgangspunt geldt temeer, indien, zoals in dit geval, de rechter in eerste aanleg het tegen het besluit ingestelde beroep ongegrond heeft bevonden.
2.4. In hetgeen [verzoekster] naar voren heeft gebracht is geen aanleiding te vinden om op voorhand aan te nemen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat de vrijstelling en bouwvergunningen niet verleend konden worden, dan wel uiteindelijk niet zullen kunnen worden verleend.
Daartoe neemt de voorzitter in aanmerking dat voorshands geen aanleiding bestaat om te oordelen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college gebruik mocht maken van de door het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college van gedeputeerde staten) op 13 juni 2006 verleende verklaring van geen bezwaar, ondanks het bepaalde in de Provinciale Circulaire van 2002 met betrekking tot de indiening van zienswijzen tegen een project. Daarbij acht de voorzitter van belang dat reeds ten tijde van de besluiten van 12 juni 2007 de Provinciale Circulaire van 1 september 2006 in werking was getreden, waarin het bepaalde omtrent de indiening van zienswijzen niet meer voorkomt. Ook hetgeen [verzoekster] overigens aanvoert met betrekking tot de verleende verklaring van geen bezwaar kan niet leiden tot toewijzing van haar verzoek, nu uit de stukken blijkt dat het college van gedeputeerde staten in beginsel positief tegenover het bouwplan staat en dat, zo al geconstateerd zou moeten worden dat sprake is van een gebrek, dit gebrek zou kunnen worden geheeld.
Voorts acht de voorzitter gelet op de overgelegde rapporten met betrekking tot de geluidbelasting aannemelijk dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse kan worden gegarandeerd. Hoewel rekening dient te worden gehouden met de op het perceel waarop [verzoekster] is gevestigd rustende bedrijfsbestemming, is voorshands niet gebleken dat de bestaande uitbreidingsmogelijkheden van [verzoekster] in de weg staan aan de waarborging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen het te realiseren bouwplan.
2.5. Onder die omstandigheden en gelet op de betrokken belangen bestaat geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening. Derhalve dient het verzoek te worden afgewezen.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Wijers
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2008
444