De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan appellant een boete van €4.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de boete, stellende dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met zijn slechte financiële positie en dat hij discriminatoir werd behandeld.
De rechtbank oordeelde dat een slechte financiële positie op zichzelf geen bijzondere omstandigheid is die matiging van de boete rechtvaardigt en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn bedrijf failliet zou gaan door de boete. Tevens werd overwogen dat appellant een betalingsregeling kon aanvragen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep bevestigde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het oordeel van de rechtbank. De Afdeling overwoog dat het evenredigheidsbeginsel en artikel 4:84 vanPro de Awb vereisen dat bijzondere omstandigheden met een uitzonderlijk karakter worden aangetoond om van beleidsregels af te wijken. Appellant had dit niet voldoende onderbouwd. Daarnaast faalde het betoog over discriminatie, aangezien bestuursrechtelijke boetes en strafrechtelijke boetes verschillende toetsingskaders kennen.
De Afdeling concludeerde dat het besluit van 1 juni 2007 rechtsmatig was en dat artikel 6 EVRMPro niet was geschonden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €4.000 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen en wijst het hoger beroep af.
Uitspraak
200708533/1.
Datum uitspraak: 23 juli 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/1618 van de rechtbank Utrecht van 17 oktober 2007 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
1. Procesverloop
Bij besluit van 8 december 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellant] een boete opgelegd van € 4.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).
Bij besluit van 1 juni 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 17 oktober 2007, verzonden op 26 oktober 2007, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De minister heeft verweerschriften ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2008, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. R. Achttienribbe, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef, onderdeel b en onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.
Ingevolge artikel 18, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.
Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.
Ingevolge artikel 19d, eerste lid, voor zover thans van belang, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een natuurlijk persoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 11.250,00.
Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.
Volgens beleidsregel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav, zoals die ten tijde van belang luidden (hierna: de beleidsregels), worden bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.
Volgens beleidsregel 2 wordt voor de werkgever als natuurlijk persoon bij een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, als uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete 0,5 maal het boetenormbedrag gehanteerd.
Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00 per persoon per beboetbaar feit gesteld.
2.2. [appellant] betoogt dat, samengevat weergegeven, de rechtbank, hoewel zij hiertoe ingevolge artikel 6 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) gehouden was, er geen blijk van heeft gegeven dat zij het besluit van 1 juni 2007 ten volle heeft getoetst, aangezien de rechtbank heeft overwogen dat een slechte financiële positie op zichzelf geen bijzondere omstandigheid oplevert in de zin van artikel 4:84 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De rechtbank diende ingevolge artikel 6 vanPro het EVRM alle relevante aspecten van de zaak, waaronder de specifieke persoonlijke omstandigheden van de te beboeten persoon, bij de beoordeling te betrekken, aldus [appellant].
2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 200607461/1), is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 vanPro de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 vanPro de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter. Het is aan degene die een beroep doet op bijzondere omstandigheden om dit beroep met gegevens en zo nodig bescheiden te staven.
2.2.2. De rechtbank heeft overwogen dat hetgeen [appellant] omtrent zijn slechte financiële positie heeft aangevoerd geen grond biedt voor het oordeel dat de minister in dit geval de boete diende te matigen en een slechte financiële positie op zichzelf geen bijzondere omstandigheid oplevert in de zin van artikel 4:84 vanPro de Awb. De rechtbank heeft voorts geconcludeerd dat [appellant] zijn stelling, dat zijn bedrijf door de boete failliet zou gaan, niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook heeft de rechtbank overwogen dat de minister voldoende is ingegaan op hetgeen [appellant] in bezwaar heeft aangevoerd over zijn gestelde slechte financiële positie, waarbij de rechtbank in aanmerking heeft genomen dat de overgelegde jaarstukken geen recent beeld geven van het bedrijf. Verder heeft de rechtbank van belang geacht dat [appellant] de minister kan verzoeken om een betalingsregeling.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de financiële positie van [appellant] bij de beoordeling van het besluit van 1 juni 2007 heeft betrokken en heeft beoordeeld of die positie tot matiging van de boete noopte. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat artikel 6 vanPro het EVRM is geschonden, zoals door [appellant] is betoogd.
2.3. [appellant] betoogt voorts dat hij discriminatoir wordt behandeld ten opzichte van personen waarbij de strafrechter oordeelt over een 'criminal charge', omdat die rechter op grond van artikel 24 vanPro het Wetboek van Strafrecht verplicht is de hoogte van een geldboete te toetsen aan de draagkracht van een verdachte en de bestuursrechtelijke sanctionering minder bescherming biedt dan de strafrechtelijke.
Door [appellant] is niet gesteld dat het besluit van 1 juni 2007 door de rechtbank is beoordeeld aan de hand van een ander toetsingskader dan wordt gehanteerd in andere procedures over een bestuurlijke boete wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat [appellant] discriminatoir is behandeld. Dat naar gesteld de strafrechter een boete anders beoordeelt, kan, wat daarvan ook zij, het betoog van [appellant] niet ondersteunen, aangezien de strafrechter niet bevoegd is te oordelen over in het kader van de Wav opgelegde boetes.
Het betoog faalt.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat.