AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting
De vreemdeling was eerder in vreemdelingenbewaring gesteld van november 2006 tot oktober 2007, waarbij de maatregel werd opgeheven vanwege het ontbreken van concreet zicht op uitzetting. Na een aanhouding in maart 2008 wegens een strafbaar feit werd opnieuw een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond.
In hoger beroep stelde de Raad van State vast dat de belangenafweging bij de eerdere opheffing van de bewaring mede was gebaseerd op het ontbreken van zicht op uitzetting. De huidige situatie verschilde hier niet wezenlijk van, en de staatssecretaris kon geen nieuwe aanknopingspunten aandragen die het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn aannemelijk maakten.
Daarom werd geoordeeld dat de huidige inbewaringstelling onrechtmatig was. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, de bewaring opgeheven, en de vreemdeling werd een schadevergoeding toegekend. Tevens werden proceskosten aan de vreemdeling toegekend.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn.
Uitspraak
200803835/1.
Datum uitspraak: 16 juli 2008
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nr. 08/15784 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 21 mei 2008 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 2 mei 2008 is [appellant] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 21 mei 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 27 mei 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juli 2008, waar de vreemdeling, bijgestaan door mr. A.J.G. Tijhuis, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door A. van de Burgt, ambtenaar in dienst van het Ministerie van Justitie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De vreemdeling heeft eerder in vreemdelingenbewaring verbleven van 15 november 2006 tot 8 oktober 2007. Deze inbewaringstelling is volgens het dossierstuk Model M120, (Voortgangs)Gegevens met betrekking tot uitzetting, door de staatssecretaris opgeheven vanwege een belangenafweging. Na een aanhouding op 2 maart 2008 wegens overtreding van artikel 197 vanPro het Wetboek van Strafrecht en een detentie van twee maanden, is de vreemdeling de huidige maatregel van bewaring opgelegd.
2.2. In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij opnieuw in bewaring mocht worden gesteld op dezelfde gronden als de vorige bewaring. Ondanks de door hem verrichte inspanningen om zijn vertrek mogelijk te maken, bleek hij tijdens zijn eerdere bewaring niet uitzetbaar, zodat die maatregel moet worden geacht te zijn opgeheven omdat geen zicht op uitzetting bestond.
2.2.1. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat de vorige inbewaringstelling is opgeheven vanwege een concrete belangenafweging zodat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat er bij de huidige inbewaringstelling geen sprake is van een situatie waarin beoordeeld diende te worden of er ten aanzien van het zicht op uitzetting nieuwe feiten en omstandigheden bestonden.
2.2.2. Desgevraagd is door de staatssecretaris ter zitting aangegeven dat bij de belangenafweging die heeft geleid tot opheffing van de vorige inbewaringstelling, is betrokken dat op dat moment geen concreet zicht op uitzetting van de vreemdeling bestond. Gelet hierop onderscheidt de situatie waarin de maatregel in dit geval is opgelegd zich niet van die waarover de Afdeling zich heeft uitgesproken op 27 november 2007 in zaak nr. 200705642/1 (www.raadvanstate.nl) en dient te worden beoordeeld of ten tijde van het opleggen van de nieuwe maatregel sprake is van aanknopingspunten die leiden tot het oordeel dat, anders dan ten tijde van de opheffing van de eerdere bewaring, zicht op uitzetting binnen redelijke termijn niet ontbreekt. De door de staatssecretaris gestelde belangen die tot de huidige inbewaringstelling hebben geleid, bieden geen aanknopingspunten in vorenbedoelde zin, aangezien deze deels geen betrekking hebben op mogelijkheden om tot uitzetting te geraken en voor het overige zien op feiten en omstandigheden die ten tijde van de opheffing van de eerdere bewaring ook bestonden. Gelet hierop moet de huidige inbewaringstelling van de vreemdeling wegens het ontbreken van zicht op uitzetting, dat vereist is om hem met het oog op de uitzetting in bewaring te kunnen stellen, onrechtmatig worden geacht.
De grief slaagt.
2.3. Het hoger beroep is reeds hierom gegrond. Hetgeen in de tweede grief is aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het vorenoverwogene, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 2 mei 2008 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren en de inbewaringstelling van de vreemdeling opheffen.
2.4. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend voor de periode van 2 mei 2008 tot 16 juli 2008, de dag van de opheffing van de inbewaringstelling.
2.5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 21 mei 2008 in zaak nr. 08/15784;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. bepaalt dat de vrijheidsontnemende maatregel ingevolge artikel 59 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 ingaande heden wordt opgeheven;
V. veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) om aan de vreemdeling te betalen een vergoeding van € 5.375,00 (zegge: vijfduizenddriehonderdvijfenzeventig euro);
VI. veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest Ahlers, ambtenaar van Staat.