ECLI:NL:RVS:2008:BD8574
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Redelijke uitleg netto-minimumloon als inkomensnorm bij gezinsvorming in vreemdelingenrecht
De zaak betreft het hoger beroep van de minister van Buitenlandse Zaken tegen een uitspraak van de rechtbank die het beleid inzake de inkomensnorm bij gezinsvorming in het vreemdelingenrecht onredelijk achtte. De minister had een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen omdat de partner van de vreemdeling niet over voldoende middelen van bestaan zou beschikken volgens het gehanteerde netto-minimumloon.
De rechtbank oordeelde dat het beleid in strijd was met artikel 3.74 van het Vreemdelingenbesluit 2000, omdat de aanhef van dit artikel verwijst naar netto-inkomen terwijl het minimumloon in de wet een bruto-bedrag betreft. De Raad van State stelt echter dat de uitleg van het beleid, dat aansluit bij het netto-minimumloon zoals berekend in de Wet Werk en Bijstand, een redelijke en door de wetgever beoogde interpretatie is.
Verder oordeelt de Raad dat de minister terecht heeft geweigerd de vergoeding voor kinderopvang en reiskosten als middelen van bestaan mee te rekenen. Ook is geen sprake van een schending van het recht op gezinsleven onder artikel 8 EVRM Pro, mede vanwege de strafrechtelijke antecedenten van de vreemdeling en het ontbreken van voldoende middelen.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister bevestigd.