ECLI:NL:RVS:2008:BD9022
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- D. Roemers
- M.A.A. Mondt Schouten
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ingangsdatum verblijfsvergunning bij gezinsleven vreemdeling
De vreemdeling had bezwaar gemaakt tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en het afwijzen van een nieuwe aanvraag. De minister verleende uiteindelijk een verblijfsvergunning met ingang van 18 mei 2006, de datum waarop de vreemdeling een verzoekschrift bij de rechtbank Arnhem indiende om een omgangsregeling te treffen met zijn zoon.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, maar ging niet in op zijn beroepsgrond dat de vergunning al per 25 januari 2006 had moeten ingaan, de datum van zijn aanvraag voor voortgezet verblijf. De Raad van State vernietigde deze uitspraak omdat de rechtbank dit punt niet had beoordeeld.
De Raad overwoog dat de minister terecht de datum van het overleggen van het verzoekschrift als startdatum van de verblijfsvergunning heeft genomen, omdat de vreemdeling niet had aangetoond dat hij eerder daadwerkelijk invulling gaf aan het gezinsleven. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het beroep bij de rechtbank ongegrond, en de minister werd gelast het betaalde griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: De verblijfsvergunning is terecht met ingang van 18 mei 2006 verleend en niet eerder.