ECLI:NL:RVS:2008:BD9026
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- M.G.J. Parkins-de Vin
- B. Klein Nulent
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij hoger beroep vreemdelingzaken wegens ontbreken spoedeisend belang
De zaak betreft een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening door een vreemdeling die in hoger beroep is gegaan tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De vreemdeling verzocht om te voorkomen dat hij gedurende de behandeling van het hoger beroep wordt uitgezet of dat verstrekkingen worden beëindigd.
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het enkele feit dat het besluit van 24 september 2007 voor uitvoering vatbaar is, geen spoedeisend belang oplevert zoals vereist in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Er was onvoldoende duidelijkheid over of en wanneer uitzetting of beëindiging van verstrekkingen zou plaatsvinden.
De vreemdeling verwees naar het arrest Conka van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over artikel 13 EVRM Pro en de noodzaak van een rechtsmiddel met schorsende werking. De voorzitter zag hierin geen grond om de regeling van artikel 8:81 Awb Pro als ontoereikend te beschouwen, mede omdat het mogelijk is om meerdere verzoeken om voorlopige voorziening in te dienen zolang het hoger beroep niet is beslist.
Het verzoek werd dan ook als kennelijk ongegrond afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan op 18 juli 2008 door voorzitter Parkins-de Vin en ambtenaar van Staat Klein Nulent.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.