ECLI:NL:RVS:2008:BD9453

Raad van State

Datum uitspraak
6 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200706262/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K. Brink
  • M.J. van der Zijpp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit herroeping bodemverontreiniging wegens onvoldoende gegevens

Het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland had op 5 oktober 2005 de ernst van bodemverontreiniging vastgesteld en ingestemd met een saneringsplan voor een locatie te een plaats. Naar aanleiding van een bezwaar van Cineco B.V. herzag het college dit besluit op 17 april 2007, herroept het eerdere besluit en weigerde een nieuwe beschikking.

Appellante stelde beroep in tegen dit herroepingsbesluit omdat het college onvoldoende onderzoek had verricht en onvoldoende gegevens had om de afbakening van de bodemverontreiniging juist vast te stellen. De Raad van State oordeelde dat het college in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht had gehandeld door een besluit te nemen zonder voldoende informatie.

De Raad van State verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het herroepingsbesluit van 17 april 2007 en veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan appellante. Hiermee werd het college verplicht om het besluit opnieuw te nemen met voldoende onderzoek en gegevens.

De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige voorbereiding en voldoende gegevens bij bestuursbesluiten over milieuaangelegenheden zoals bodemverontreiniging, en bevestigt de verplichting tot heroverweging en motivering volgens de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het herroepingsbesluit van het college wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

200706262/1.
Datum uitspraak: 6 augustus 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [plaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 5 oktober 2005 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) naar aanleiding van een melding gedaan door [appellante] de ernst van de bodemverontreiniging en de urgentie van sanering vastgesteld voor de [locatie] te [plaats] en ingestemd met het voor dit perceel ingediende saneringsplan.
Bij besluit van 17 april 2007 heeft het college het door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Cineco B.V. hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 5 oktober 2005 herroepen en geweigerd een beschikking te nemen.
Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2007, beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het college, [appellante] en Cineco B.V. hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juni 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. F.H.A.M. Thunissen, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.E.A.M. Grapperhaus en drs. N.G.P. Bizot, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Verder is daar Cineco B.V., vertegenwoordigd door ir. N. Borreman, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het college heeft naar aanleiding van het door Cineco B.V. ingediende bezwaarschrift geconcludeerd - kort weergegeven - dat er onvoldoende gegevens zijn om vast te stellen of bij het besluit van 5 oktober 2005 van een juiste afbakening van het geval van verontreiniging is uitgegaan. Vervolgens heeft het college bij het bestreden besluit het besluit van 5 oktober 2005 herroepen.
2.2. [appellante] voert aan dat bij de voorbereiding van het bestreden besluit onvoldoende onderzoek is gedaan.
2.3. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet het bestuursorgaan op de grondslag van het bezwaar het bestreden besluit heroverwegen. Ingevolge het tweede lid moet het bestuursorgaan voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft het bestreden besluit herroepen en moet het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit nemen.
2.4. In bezwaar stond in de kern ter beoordeling of het besluit van 5 oktober 2005 moest worden herroepen omdat de gedane melding geen betrekking zou hebben op het gehele geval van bodemverontreiniging. Het college beschikte, zoals het ook zelf aangeeft, niet over voldoende informatie om deze beoordeling te maken. Gelet hierop is het besluit genomen in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.5. Het beroep is gegrond. Het besluit van 17 april 2007 komt voor vernietiging in aanmerking.
2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 17 april 2007, kenmerk 2007-16056;
III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door provincie Noord-Holland aan [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
IV. gelast dat provincie Noord-Holland aan [appellante] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Van der Zijpp
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2008
262-578.