ECLI:NL:RVS:2008:BD9588
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- D. Roemers
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Geen verblijfsrecht in Nederland op grond van Associatiebesluit 1/80 voor Turkse staatsburger met Duitse verblijfsvergunning
De zaak betreft een Turkse staatsburger die in Duitsland een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft, maar in Nederland geen verblijfsrecht kan ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80. De vreemdeling was ongewenst verklaard door de Nederlandse minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, en zijn bezwaar en beroep werden ongegrond verklaard door de staatssecretaris en de rechtbank.
In hoger beroep bij de Raad van State stelde de vreemdeling dat hij als Turkse staatsburger met een Duitse verblijfsvergunning rechten ontleent aan artikel 6 van Pro het Associatiebesluit 1/80 en daardoor ook in Nederland een verblijfsrecht zou hebben. De Raad van State overwoog dat het recht op verblijf op grond van het Associatiebesluit beperkt is tot de lidstaat van ontvangst, in dit geval Duitsland. Zelfs als de vreemdeling in Duitsland aanspraak zou maken op verblijf, betekent dit niet dat hij die rechten in Nederland kan inroepen.
De Raad verwees naar het arrest van het Hof van Justitie van 18 juli 2007 (zaak C-325/05) waarin is vastgesteld dat Turkse staatsburgers niet het recht hebben zich vrij binnen de Europese Gemeenschap te verplaatsen zoals werknemers uit lidstaten, maar slechts bepaalde rechten genieten binnen de lidstaat van ontvangst. De vreemdeling was bovendien niet in Nederland toegelaten, waardoor geen aanspraak op verblijf in Nederland bestaat. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; geen verblijfsrecht in Nederland op grond van het Associatiebesluit 1/80.