ECLI:NL:RVS:2008:BD9596

Raad van State

Datum uitspraak
1 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200804727/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 EVRMArt. 59 Vw 2000Art. 85 Vw 2000Art. 91 Vw 2000Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling schending artikel 5 EVRM bij vreemdelingenbewaring en belangenafweging

In deze zaak is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het besluit en voerde aan dat de reden van zijn inbewaringstelling niet in een taal die hij verstaat was medegedeeld, wat een schending zou zijn van artikel 5, tweede lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. In hoger beroep bij de Raad van State werd overwogen dat het doel van artikel 5, tweede lid, EVRM is om een effectieve uitoefening van het recht tegen vrijheidsontneming mogelijk te maken. De Raad stelde vast dat ondanks de omissie appellant niet in zijn belangen was geschaad, mede omdat hij nog op de dag van inbewaringstelling beroep had ingesteld.

De Raad van State oordeelde dat de schending niet zodanig ernstig was dat zij de rechtmatigheid van de bewaring aantastte. Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

200804727/1
Datum uitspraak: 1 augustus 2008
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nr. 08/17715 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 12 juni 2008 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 mei 2008 is [appellant] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 12 juni 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna; de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 juni 2008, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.
De staatssecretaris van Justitie heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. De vreemdeling klaagt in grief III dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat, hoewel uit het dossier niet is gebleken dat is gehandeld in overeenstemming met het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), hij door deze omissie niet is geschaad in zijn belangen, nu hij nog op de dag van inbewaringstelling beroep heeft ingesteld. Hiertoe betoogt hij dat de schending van genoemd artikellid zodanig ernstig is dat deze de daarop volgende maatregel reeds onrechtmatig maakt.
2.1.1. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van het EVRM moet een ieder die gearresteerd is onverwijld en in een taal die hij verstaat op de hoogte worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en van alle beschuldigingen die tegen hem zijn ingebracht.
Een vreemdeling die op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) zijn vrijheid is ontnomen valt eveneens onder het bereik van dit artikellid.
2.1.2. Uit onder meer het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 30 augustus 1990 in de zaken Fox, Campbell en Hartley tegen het Verenigd Koninkrijk (nrs. 12244/86, 12245/86 en 12383/86, www.echr.coe.int), blijkt dat het tweede lid van artikel 5 van Pro het EVRM tot doel heeft een effectieve uitoefening mogelijk te maken van het in het vierde lid van dat artikel bedoelde recht tegen vrijheidsontneming rechtmiddelen aan te wenden. Gelet hierop heeft de rechtbank bij de beoordeling van de gevolgen van de schending van artikel 5, tweede lid, van het EVRM voor de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring terecht bezien of de vreemdeling is geschaad in de belangen die dit artikellid beoogt te beschermen en geconstateerd dat daarvan geen sprake is. De grief faalt derhalve.
2.2. Hetgeen voor het overige is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van Staat.
w.g. Parkins-de Vin
voorzitter
w.g. Snijders
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2008
279
Verzonden: 1 augustus 2008
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak