ECLI:NL:RVS:2008:BD9596
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schending artikel 5 EVRM bij vreemdelingenbewaring en belangenafweging
In deze zaak is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het besluit en voerde aan dat de reden van zijn inbewaringstelling niet in een taal die hij verstaat was medegedeeld, wat een schending zou zijn van artikel 5, tweede lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. In hoger beroep bij de Raad van State werd overwogen dat het doel van artikel 5, tweede lid, EVRM is om een effectieve uitoefening van het recht tegen vrijheidsontneming mogelijk te maken. De Raad stelde vast dat ondanks de omissie appellant niet in zijn belangen was geschaad, mede omdat hij nog op de dag van inbewaringstelling beroep had ingesteld.
De Raad van State oordeelde dat de schending niet zodanig ernstig was dat zij de rechtmatigheid van de bewaring aantastte. Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.