AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging vernietiging bouwvergunning voor woningen op perceel met onbebouwde erfbestemming
Het college van burgemeester en wethouders van Vught verleende op 1 mei 2007 een bouwvergunning en vrijstelling aan de Stichting Charlotte Elisabeth van Beuningen voor het bouwen van 34 woningen met een stallingsgarage op het perceel Taalstraat 78-82 te Vught. Tegen dit besluit maakten enkele omwonenden bezwaar, dat door het college ongegrond werd verklaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch verklaarde het bezwaar gegrond, vernietigde het besluit en schorste de bouwvergunning.
De Stichting en het college stelden hoger beroep in bij de Raad van State en verzochten om een voorlopige voorziening. De Raad van State oordeelde dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan "De Gent", waarin een deel van het perceel de bestemming "Erf" heeft, die onbebouwd moet blijven om het groenkarakter te behouden. De vrijstellingsregeling van Gedeputeerde Staten Noord-Brabant, die afwijkingen mogelijk maakt voor intensieve bebouwing binnen stedelijk gebied, is niet van toepassing op de "Erf"-bestemming.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter dat het college niet bevoegd was vrijstelling te verlenen voor het bouwplan. Het hoger beroep van de Stichting werd ongegrond verklaard, het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, en het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de omwonenden. De schorsing van de bouwvergunning blijft van kracht tot zes weken na een nieuwe beslissing op bezwaar.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Stichting wordt afgewezen en de vernietiging van de bouwvergunning wordt bevestigd.
Uitspraak
200803862/1 en 200803862/2.
Datum uitspraak: 7 augustus 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 vanPro die wet, op het hoger beroep van:
de stichting Charlotte Elisabeth van Beuningen Stichting, gevestigd te Vught,
appellante,
tegen de uitspraak in zaken nrs. 08/548, 08/537, 08/812 en 08/507 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 april 2008 in het geding tussen:
[wederpartij A] wonend te [woonplaats],
[wederpartij B] en anderen, wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Vught.
1. Procesverloop
Bij besluit van 1 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vught (hierna: het college) aan de stichting Charlotte Elisabeth van Beuningen Stichting (hierna: de Stichting) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van 34 woningen met een stallingsgarage op het perceel Taalstraat 78-82 te Vught (hierna: het perceel).
Bij besluit van 18 december 2007 heeft het college het door [wederpartij A] en [wederpartij B] en anderen (hierna: [wederpartijen B]) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 april 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) de door [wederpartij A] en [wederpartijen B] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 18 december 2007 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Voorts heeft de voorzieningenrechter de voorziening getroffen dat het besluit van 1 mei 2007 wordt geschorst tot en met zes weken na het bekendmaken van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de Stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juni 2008 en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2008 hoger beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 juni 2008, heeft de Stichting de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 juli 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.P. Randewijk en D.N. Bastin, ambtenaren in dienst van de gemeente, de Stichting, vertegenwoordigd door [secretaris], bijgestaan door mr. W. Braam, en [wederpartij A] en [wederpartijen B], vertegenwoordigd door mr. R.E. Wannink, advocaat te Boxtel, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. De omstandigheid dat ook door het college hoger beroep is ingesteld, is, gelet op de strekking van de beslissing die wordt genomen, geen beletsel. Op het hoger beroep van het college wordt bij uitspraak van heden in zaak nr. 200803862/4 eveneens beslist.
2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Gent" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel deels de bestemming "Woondoeleinden" en deels de bestemming "Erf".
Ingevolge artikel 6, lid A, aanhef en onder 1, van de planvoorschriften, zijn de voor "Woondoeleinden" aangewezen gronden, voor zover thans van belang, bestemd voor woongebruik in ruime zin van zowel de huizen met de bijgebouwen als de bijbehorende tuinen, erven en andere bouwwerken. Bij nieuwbouw dient in principe op eigen erf te worden voorzien in de parkeerbehoefte.
Ingevolge artikel 11, lid A, zijn de als "Erf" aangewezen gronden bestemd voor onbebouwde tuinen en erven behorende bij woningen en bedrijven, ten behoeve van het groenkarakter van De Gent.
Ingevolge artikel 11, lid B, mag op de gronden bestemd voor "Erf" niet worden gebouwd, uitgezonderd open terrein- en erfafscheidingen met een hoogte van niet meer dan 1,50 m.
2.3. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met de ter plaatse rustende bestemmingen. Om het project niettemin mogelijk te maken heeft het college toepassing gegeven aan artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).
2.4. Op 16 mei 2006 hebben Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant (hierna: GS) de regeling "Categorieën van gevallen ex artikel 19, lid 2, WRO provincie Noord-Brabant 2006" (hierna: de regeling) vastgesteld.
Ingevolge paragraaf III. Categorie Stedelijk Gebied, mag op gronden in de bebouwde kom, niet behorend tot een bedrijventerrein, met een bestemming gericht op intensieve bebouwing zoals woondoeleinden (inclusief tuin/erf), centrumdoeleinden, detailhandelsdoeleinden, horecadoeleinden, kantoordoeleinden, maatschappelijke doeleinden, bedrijfsdoeleinden of een bestemming groenvoorzieningen, voor zover niet structuurbepalend, in afwijking van die bestemmingen en/of bijbehorende voorschriften met toepassing van artikel 19, lid 2, WRO vrijstelling worden verleend voor de volgende projecten, mits deze naar aard en omvang passen binnen de ruimtelijke (stedenbouwkundig en functioneel) uitgangspunten van het bestemmingsplan en de aard, schaal en functie van de kern (..).
2.5. De Stichting en het college betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan past binnen de in de regeling van GS opgenomen categorieën van gevallen.
2.5.1. Deze betogen falen. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat de bestemming "Erf" die op een gedeelte van het perceel rust niet kan worden gekwalificeerd als een bestemming gericht op intensieve bebouwing zoals bedoeld in paragraaf III. Categorie Stedelijk Gebied in de regeling van GS. Deze bestemming wordt in het bestemmingsplan uitdrukkelijk onderscheiden van de binnen de bestemming "Woondoeleinden" toegelaten tuinen en erven. De bestemming "Erf" is bewust ter plaatse gelegd om het gebied open te houden, nu op de gronden met deze bestemming niet mag worden gebouwd, uitgezonderd open terrein- en erfafscheidingen met een hoogte van niet meer dan 1,50 m. Dit in tegenstelling tot de binnen de bestemming "Woondoeleinden" toegelaten tuinen en erven, waarop verderstrekkende bebouwingsbepalingen van toepassing zijn. In paragraaf 8.1 van het bestemmingsplan staat vermeld dat de als "Erf" aangeduide tuinen en erven medebepalend zijn voor het landelijk karakter van het gebied van De Gent. Het plan gaat er van uit dat die tuinen onbebouwd blijven, temeer daar er over het algemeen op de tuin- en erfgedeelten, die zijn begrepen in de bestemming van "Woondoeleinden" nog voldoende bebouwingsmogelijkheden voor aan- en bijgebouwen aanwezig zijn. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat geen sprake is van een geval als bedoeld in de regeling van GS, zodat het college niet bevoegd was met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, vrijstelling te verlenen.
2.6. Het hoger beroep van de Stichting is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, inclusief de door de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:87 (lees: 8:72), vijfde lid, van de Awb, getroffen voorziening dat het besluit van 1 mei 2007 wordt geschorst tot en met zes weken na het bekendmaken van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar.
2.7. Gelet hierop wordt het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
2.8. Het college dient op na te vermelden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Vught tot vergoeding van bij [wederpartij A] (hierna: [wederpartij A]) en [wederpartij B] en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Vught aan [wederpartij A] (hierna: [wederpartij A]) en [wederpartij B] en anderen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;
III. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.