ECLI:NL:RVS:2008:BD9949

Raad van State

Datum uitspraak
7 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200804872/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H. Troostwijk
  • J.W. Prins
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet arbeid vreemdelingenArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen boete Wet arbeid vreemdelingen

Bij besluit van 16 oktober 2007 legde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan verzoekster een boete van €32.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Verzoekster maakte bezwaar, dat op 4 januari 2008 ongegrond werd verklaard. Vervolgens verklaarde de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen het beroep van verzoekster op 30 mei 2008 ongegrond.

Verzoekster stelde bij de Raad van State hoger beroep in en verzocht op 4 juli 2008 om een voorlopige voorziening om de rechtsgevolgen van het boetebesluit op te schorten totdat op het hoger beroep is beslist. Zij stelde dat onmiddellijke inning van de boete tot grote financiële problemen zou leiden.

De voorzitter oordeelde echter dat verzoekster niet aannemelijk had gemaakt dat zij in financiële nood zou verkeren. Uit stukken bleek een positief banksaldo en een betalingsregeling over twaalf maanden. Ook werd duidelijk dat de boete van €32.000 niet noodzakelijkerwijs volledig door haar betaald hoeft te worden vanwege hoofdelijke aansprakelijkheid met een andere functionaris.

Daarom ontbrak het spoedeisend belang voor de voorlopige voorziening en werd het verzoek afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om opschorting van de boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

200804872/2.
Datum uitspraak: 7 augustus 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoekster], gevestigd te [woonplaats
tegen de uitspraak in zaak nrs. 08/541 en 08/255 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 30 mei 2008 in het geding tussen:
[verzoekster]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 oktober 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) aan [verzoekster] in haar hoedanigheid van bevoegd functionaris van [bedrijf] een boete van € 32.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen.
Bij besluit van 4 januari 2008 heeft de minister het daartegen door [verzoekster] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 mei 2008, verzonden op 2 juni 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen, voor zover thans belang, het daartegen door [verzoekster] ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juni 2008, hoger beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 juli 2008, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft een schriftelijke reactie ingediend.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 31 juli 2008, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door [bestuurder], bijgestaan door mr. K.A. Faber, advocaat te Heerenveen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.J.A. Huisman, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 4 januari 2008 worden opgeschort totdat op het hoger beroep is beslist.
2.2. Aan haar verzoek heeft [verzoekster] ten grondslag gelegd dat, indien de haar opgelegde boete hangende hoger beroep wordt geïnd, dit bij haar tot grote financiële problemen zal leiden.
[verzoekster] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij door de opgelegde boete in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit de door [verzoekster] in dit verband overgelegde brief met bijlagen van haar administrateur van 8 april 2008 blijkt dat op dat moment zij over een positief banksaldo beschikte en het bedrag aan vorderingen het bedrag aan schulden ruimschoots oversteeg. Voorts is ter zitting gebleken dat [verzoekster] inmiddels een betalingsregeling heeft getroffen, waarbij de betaling van de boete over een periode van twaalf maanden wordt gespreid en waarvan de eerste termijn nog moet worden geïnd. Daarnaast blijkt uit de schriftelijke reactie van de minister op het verzoek dat vanwege de hoofdelijke aansprakelijkheid weliswaar ook aan de andere bevoegde [functionaris], een boete van € 32.000,00 is opgelegd, maar dat dit niet betekent dat in totaal een bedrag van € 64.000,00 verschuldigd is. Het is volgens de minister aan de bevoegde functionarissen zelf om onderling te bepalen wie de boete van € 32.000 betaalt en hoe dit onderling wordt verrekend. Aldus staat niet vast dat het gehele bedrag van de aan [verzoekster] opgelegde boete door haar moet worden betaald.
Onder deze omstandigheden ontbeert het verzoek het voor het inwilligen daarvan noodzakelijke spoedeisende belang en bestaat voor het treffen van de gevraagde voorziening geen aanleiding. Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk w.g. Prins
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2008
363.