ECLI:NL:RVS:2008:BE1196

Raad van State

Datum uitspraak
1 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200800125/1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.G.J. Parkins de Vin
  • P.A. Offers
  • T.M.A. Claessens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 85 Vreemdelingenwet 2000Art. 91 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep vreemdelingenrechtelijke verblijfsvergunningen met afhankelijk karakter

De vreemdelingen sub 1 en sub 2 hebben aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de minister en staatssecretaris zijn afgewezen en waarvan de beroepen door de rechtbank ongegrond zijn verklaard. Het beroep van 4 mei 2007 was mede namens de vreemdelingen sub 2 ingesteld, maar de rechtbank liet hun beroepen buiten beschouwing.

De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte de beroepen van de vreemdelingen sub 2 niet heeft beoordeeld, waardoor het hoger beroep kennelijk gegrond is. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover daarin niet is beslist op de beroepen van de vreemdelingen sub 2.

De beroepen van de vreemdelingen sub 2 zijn inhoudelijk beoordeeld en vanwege het afhankelijk karakter van hun aanvragen van die van sub 1, waarvan de beroepen ongegrond zijn verklaard, worden ook hun beroepen ongegrond verklaard. De overige delen van de uitspraak worden bevestigd. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan de vreemdelingen vergoed.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het deel van de uitspraak dat niet op de beroepen van vreemdelingen sub 2 beslist wordt vernietigd en hun beroepen worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

200800125/1.
Datum uitspraak: 1 augustus 2008
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
1. [appellant 1] en
2. [appellant 2] en [appellant 3],
appellanten,
tegen de uitspraak in zaken nrs. 06/59099 en 07/19040 van de rechtbank 's Gravenhage van 20 december 2007 in de gedingen tussen:
[appellant 1]
en
de staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 9 februari 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van de vreemdeling sub 1 om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 3 november 2006 heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij onderscheiden besluiten van 27 november 2006 heeft de minister aanvragen van de vreemdelingen sub 1 en 2 (hierna gezamenlijk: de vreemdelingen) om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij brief van 4 mei 2007 is beroep ingesteld tegen het niet tijdig door de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) nemen van een beslissing op de tegen deze besluiten gemaakte bezwaren.
Bij onderscheiden besluiten van 8 juni 2007 heeft de staatssecretaris deze bezwaren alsnog ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 december 2007, verzonden op 27 december 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage de door de vreemdeling sub 1 ingestelde beroepen tegen de besluiten van 3 november 2006 en 8 juni 2007 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 4 januari 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De vreemdelingen hebben een nader stuk ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Hetgeen in de grieven 1 en 2 is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2.2. In grief 3 klagen de vreemdelingen dat de rechtbank ten onrechte de beroepen van de vreemdelingen sub 2 buiten de beoordeling heeft gelaten. Uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 december 2007 in zaken nrs. 06/62957 en 06/62958 op de verzoeken van de vreemdelingen sub 2 blijkt dat deze ervan uit is gegaan dat het ingestelde beroep geen betrekking op hen heeft. Uit het beroepschrift van 4 mei 2007 blijkt echter dat dit mede namens hen is ingediend, aldus de vreemdelingen.
2.2.1. De vreemdelingen betogen terecht dat het beroep van 4 mei 2007 niet alleen namens de vreemdeling sub 1 is ingesteld, nu in het beroepschrift onder het kopje "Indien het meerdere personen betreft" de namen van de vreemdelingen sub 2 staan vermeld. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte hun beroepen buiten beoordeling gelaten.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij niet is beslist op de beroepen van de vreemdelingen sub 2 in de zaak geregistreerd onder nummer 07/19040, en voor het overige te worden bevestigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling hun beroepen tegen de ten aanzien van hen genomen besluiten van 8 juni 2007 alsnog beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangedragen beroepsgronden.
2.4. De vreemdelingen sub 2 beogen verblijf bij hun echtgenoot dan wel vader, vreemdeling sub 1. Nu de aanvragen van de vreemdelingen sub 2 een volledig van zijn aanvraag afhankelijk karakter hebben, diens beroepen in de aangevallen uitspraak ongegrond zijn verklaard en uit het hiervoor onder 2.1. overwogene volgt dat het hoger beroep, voor zover hiertegen gericht, niet slaagt, bestaat thans aanleiding om hun beroepen eveneens ongegrond te verklaren.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 december 2007 in zaken nrs. 06/59099 en 07/19040, voor zover daarin in zaak nr. 07/19040 niet is beslist op de beroepen van de vreemdelingen sub 2;
III. verklaart de door de vreemdelingen sub 2 bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroepen ongegrond;
IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
V. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de vreemdelingen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van Staat.
w.g. Parkins-de Vin
voorzitter
w.g. Van der Winden
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2008
348-553.
Verzonden: 1 augustus 2008
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak