Uitspraak
200305009/1, brengt een redelijke wetstoepassing van artikel 28, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening met zich dat aan de vernietiging van een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan van een college van Gedeputeerde Staten door de Afdeling geen terugwerkende kracht toekomt. Daarbij maakt het niet uit wat de reden voor vernietiging is geweest. De Afdeling heeft bij uitspraak van 10 augustus 2005 het besluit van 14 september 2004 van het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland tot goedkeuring van dat bestemmingsplan vernietigd wat betreft de verleende goedkeuring aan de bestemming "Woondoeleinden" aan de gronden waarop een deel van de woningen, opgenomen in het bouwplan, is voorzien. Op 4 juli 2006 heeft het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland het bestemmingsplan opnieuw goedgekeurd. Een verzoek tot schorsing is door de voorzitter van de Afdeling bij uitspraak van 20 november 2006 afgewezen. Ten tijde van het besluit op bezwaar van 20 februari 2007 was het bestemmingsplan "Geer en Zijde" dus in werking getreden. Het college was ingevolge artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gehouden in bezwaar het besluit van 22 april 2004 volledig te heroverwegen, waarbij diende te worden getoetst aan de toepasselijke wettelijke voorschriften zoals die ten tijde van de heroverweging luidden. Het bouwplan is daarom door het college terecht getoetst aan het bestemmingsplan "Geer en Zijde". Hetgeen [appellante], onder verwijzing naar de uitspraken van de voorzitter van de Afdeling van 22 februari 2007 in zaak nr.
200609169/1, van 28 juni 2007 in zaak nr. 200702335/1 en van 2 augustus 2007 in zaak nr.
200702603/1, heeft betoogd, maakt dat niet anders, nu de voorzitter in deze zaak niet tot schorsing heeft besloten