ECLI:NL:RVS:2008:BE9707

Raad van State

Datum uitspraak
3 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200708654/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering bouwvergunning voor vuurwerkkluis en verkooppunt in strijd met bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal weigerde op 3 november 2005 een bouwvergunning en vrijstelling voor het oprichten van een vuurwerkkluis en verkooppunt in een bedrijfsgebouw op een perceel in Veenendaal. Deze weigering werd bevestigd bij bezwaar en door de rechtbank Utrecht op 30 oktober 2007.

Appellant stelde dat het overgangsrecht van het bestemmingsplan hem het recht gaf tot gebruik van het perceel voor verkoop en opslag van vuurwerk, en dat hij gerechtvaardigd vertrouwen had op vergunningverlening vanwege het uitblijven van handhaving tegen detailhandel in het gebouw. De Raad van State oordeelde dat het overgangsrecht niet van toepassing is op de bouwvergunning en dat het gebruik van het perceel in strijd is met de bestemming "Industrie". Bovendien kan het uitblijven van handhaving geen recht op vergunningverlening creëren.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, met een verbetering van de motivering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de bouwvergunning voor het vuurwerkkluis en verkooppunt.

Uitspraak

200708654/1.
Datum uitspraak: 3 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. 06/4027 van de rechtbank Utrecht van 30 oktober 2007 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal (hierna: het college) geweigerd [appellant] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een vuurwerkkluis en een vuurwerkverkooppunt in een bedrijfsgebouw op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 4 oktober 2006 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar onder aanvulling van de motivering ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 oktober 2007, verzonden op 2 november 2007, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 december 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 4 januari 2008.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juli 2008, waar [appellant], bijgestaan door mr. T.A. Timmermans, advocaat te Rhenen, en het college, vertegenwoordigd door H.G. van Olderen en R. Jager-van Ittersum, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Het onderzoek is ter zitting gesloten.
Het onderzoek is nadien heropend. Desgevraagd heeft het college bij brief van 28 juli 2008 nadere stukken aan de Afdeling toegezonden. Deze zijn aan de andere partij gestuurd. Met toestemming van partijen is een nieuwe behandeling ter zitting achterwege gelaten.
2. Overwegingen
2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hem beroep op het in de "Partiële herziening bestemmingsplannen Uitbreidingsplan Industrieterrein I en II, gelezen in samenhang met het Uitbreidingsplan Industriewijk II" (hierna: het bestemmingsplan), opgenomen overgangsrecht toekomt, omdat het perceel ten tijde van de inwerkingtreding van die herziening in zijn geheel voor de stalling en verkoop van caravans werd gebruikt.
2.1.1. Ingevolge artikel V, aanhef en onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, mogen gebouwen die ten tijde van de ter visie legging van het ontwerp van dat plan bestaan, in uitvoering zijn of kunnen worden gebouwd krachtens een verleende of nog te verlenen bouwvergunning en die afwijken van het plan gedeeltelijk worden vernieuwd, veranderd of vergroot, mits de bestaande afwijking daarbij naar de aard niet wordt vergroot.
2.1.2. Zelfs indien zou worden aangenomen dat, zoals [appellant] stelt, het gebruik van het bedrijfsgebouw voor de verkoop en opslag van vuurwerk ingevolge het overgangsrecht van het bestemmingsplan is toegestaan, betekent dat niet dat bouwvergunning voor het oprichten van de vuurwerkkluis en het vuurwerkverkooppunt moest worden verleend. Het oprichten daarvan is - naar niet in geschil is - in strijd met de bestemming "Industrie" die op het perceel rust. Artikel V, aanhef en onder a, is daarop niet van toepassing. Het bestaande bedrijfsgebouw, waarin de kluis en het verkooppunt zijn voorzien, is in 1991 opgericht, terwijl het ontwerp van de herziening van het bestemmingsplan op 19 september 1988 ter visie is gelegd. De rechtbank is terecht, zij het op andere gronden, tot het oordeel gekomen dat het bestemmingsplan aan verlening van bouwvergunning in de weg staat.
2.2. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat bij hem gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat bouwvergunning zou worden verleend, omdat het college nooit handhavend tegen detailhandel die, naar hij stelt, in het bedrijfsgebouw werd uitgeoefend, is opgetreden, is ook dat tevergeefs. Nog daargelaten dat het college niet in strijd met de wet bouwvergunning kan verlenen, kan het uitblijven van handhavend optreden tegen bepaald gebruik geen aanspraak op verlening van een bouwvergunning doen ontstaan.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Huijben
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2008
17-313-560.