ECLI:NL:RVS:2008:BE9726
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- M.A.A. Mondt-Schouten
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boete wegens onterecht opgelegde tewerkstellingsvergunningplicht aan zelfstandige Hongaarse dienstverleners
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde appellant een boete van €12.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat Hongaarse vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning arbeid hadden verricht. De rechtbank matigde de boete tot €6.000 en verklaarde het beroep van appellant gegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de vreemdelingen als zelfstandigen en niet als werknemers werkten, waardoor de vergunningplicht niet van toepassing was. De Raad van State oordeelde dat de vreemdelingen hun werkzaamheden onder eigen verantwoordelijkheid en zonder gezagsverhouding uitvoerden, opdrachten hadden van meerdere opdrachtgevers, eigen gereedschap gebruikten en hun hoofdverblijf in Hongarije hadden. Dit paste binnen de vrijheid van dienstverlening onder het EG-Verdrag.
De minister had ten onrechte de boete opgelegd en het hoger beroep van appellant werd gegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het besluit van 14 mei 2007 vernietigd en het besluit van 12 mei 2006 herroepen. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De boete wegens het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning is vernietigd omdat de vreemdelingen als zelfstandigen in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening werkten.