ECLI:NL:RVS:2008:BE9881
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- R. van der Spoel
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Ongewenstverklaring vreemdeling ondanks familie- en gezinsleven met kind volgens artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie verklaarde de vreemdeling ongewenst in Nederland en wees bezwaar hiertegen af. De rechtbank 's-Gravenhage stelde het beroep van de vreemdeling tegen deze ongewenstverklaring gegrond en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen, waarbij de uitkomst van een procedure over een omgangsregeling met het kind moest worden afgewacht.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro pas kon plaatsvinden na een onherroepelijke uitspraak over de omgangsregeling. De Raad stelde dat de belangenafweging ook kon plaatsvinden op basis van de hypothese dat omgang mogelijk is, maar dat dit niet automatisch tot een positief oordeel ten gunste van de vreemdeling leidt.
De Raad overwoog verder dat de vreemdeling onvoldoende concrete feiten had aangevoerd over het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming en dat de verklaring van 16 maart 2007 over de omgangsregeling niet voldoende ondertekend was. Ook werd meegewogen dat de vreemdeling bij aanvang van het gezinsleven niet rechtmatig in Nederland verbleef en dat hij tijdens detentie geen contact met het kind had onderhouden.
De Raad concludeerde dat het algemeen belang van de ongewenstverklaring zwaarder woog dan het persoonlijke belang van de vreemdeling bij het uitoefenen van zijn familie- en gezinsleven met het kind. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard, waarbij de ongewenstverklaring wordt bevestigd.