ECLI:NL:RVS:2008:BE9909

Raad van State

Datum uitspraak
31 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200802020/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.A.C. Slump
  • R.J.R. Hazen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep inzake vermindering lesgeld schooljaar 2002-2003

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem die zijn beroep niet-ontvankelijk verklaarde. Het ging om een verzoek tot vermindering van het voor het schooljaar 2002-2003 betaalde lesgeld, dat door de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep was afgewezen. Appellant voerde aan dat hij wel degelijk belanghebbende was omdat het verzoek betrekking had op zijn opleiding en het geld bestemd was voor zijn studie en verzorging.

De Afdeling bestuursrechtspraak overweegt echter dat de betalingsverplichting voor het lesgeld op appellant's moeder rustte en dat appellant uit de afwijzing geen rechten of verplichtingen ontving. Zijn belang is daarom slechts afgeleid en niet rechtstreeks. Hierdoor was de rechtbank terecht tot niet-ontvankelijkheid van het beroep gekomen.

Het hoger beroep wordt als kennelijk ongegrond verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 11 augustus 2008.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkheid van het beroep bevestigd omdat appellant geen rechtstreeks belanghebbende is.

Uitspraak

Raad van State
200802230/2.
Datum uitspraak: 11 augustus 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/4673 van de rechtbank Arnhem van 24 januari 2008 in het geding tussen:
[appellant]
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 november 2006 heeft de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: de hoofddirectie) een verzoek van [verzoeker] om vermindering van het voor [appellant] voor het schooljaar 2002-2003 verschuldigde lesgeld afgewezen.
Bij besluit van 8 februari 2007 heeft de hoofddirectie het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 24 januari 2008, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 6 maart 2008, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het proces-verbaal is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 maart 2008, hoger beroep ingesteld.
De hoofddirectie heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
2. Overwegingen
2.1. In hoger beroep betoogt [appellant] dat de rechtbank, door te overwegen dat niet is gebleken dat zijn belangen rechtstreeks bij het besluit zijn betrokken en hij derhalve geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is, heeft miskend dat het verzoek om teruggave van een deel van het betaalde lesgeld betrekking heeft op een opleiding die hij heeft genoten, dat het lesgeld door [verzoeker] - zijn moeder - is voldaan en hij een gemeenschappelijke huishouding met haar voert en dat het verzoek betrekking heeft op geld dat voor zijn studie en verzorging is bestemd.
2.1.1. Niet in geschil is dat de verplichting tot het voldoen van het voor het schooljaar 2002-2003 verschuldigde lesgeld op [verzoeker] heeft gerust en dat voor [appellant] uit de afwijzing van het verzoek om vermindering van het voor dat schooljaar betaalde lesgeld geen rechten of verplichtingen voortvloeien. De in hoger beroep aangevoerde omstandigheden leveren voor [appellant] slechts een afgeleid belang op. Dat betekent dat de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het betoog faalt.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2008
Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht).
- Verzet dient schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te worden gedaan.
- In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd.
- Indien de indiener over het verzet door de Afdeling wenst te worden gehoord, dient dit in het verzetschrift te worden gevraagd. Het horen gebeurt dan uitsluitend over het verzet.
452.