ECLI:NL:RVS:2008:BF0294

Raad van State

Datum uitspraak
10 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200708643/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.Ph.J.A.M. Hennekens
  • D. van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 WmBesluit Landbouw milieubeheerArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen last onder dwangsom na intrekking door college

Het college van gedeputeerde staten van Utrecht heeft bij besluiten in 2006 en 2007 aan appellant lasten onder dwangsom opgelegd met betrekking tot haar inrichting. Vervolgens heeft het college deze lasten onder dwangsom meerdere keren ingetrokken, herroepen en gewijzigd, waarbij uiteindelijk de last waarop het beroep zich richtte is ingetrokken.

Appellant heeft tegen het besluit van het college beroep ingesteld bij de Raad van State. Tijdens de procedure heeft appellant haar beroep aangevuld, maar na de intrekking van de last onder dwangsom heeft appellant geen belang meer bij de beoordeling van de rechtmatigheid van deze last.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan procesbelang. Daarnaast overweegt de Afdeling dat het college met de intrekking van de last tegemoet is gekomen aan appellant, waardoor het college op grond van artikel 8:75a Awb in de proceskosten wordt veroordeeld. Het college moet tevens het betaalde griffierecht aan appellant vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

200708643/1.
Datum uitspraak: 10 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [plaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Utrecht,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 mei 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) de bij besluiten van 15 december 2006 en 9 maart 2007 aan [appellante] opgelegde lasten onder dwangsom met betrekking tot de inrichting gelegen aan de [locatie] te [plaats] ingetrokken.
Bij besluit van 16 oktober 2007, verzonden op 1 november 2007, heeft het college het hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 16 mei 2007 herroepen. Voorts zijn de voormelde lasten onder dwangsom opgeschort tot zes weken na de datum waarop de rapportage van de opleveringscontrole bij de inrichting van [appellante] naar aanleiding van de melding als bedoeld in artikel 8.41 van de Wet milieubeheer op grond van het Besluit Landbouw milieubeheer (hierna: het Besluit) door het college aan [appellante] is toegezonden, met dien verstande dat de opschorting uiterlijk op 1 april 2008 eindigt.
Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 december 2007, beroep ingesteld. [appellante] heeft haar beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 januari 2008.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 25 maart 2008 heeft het college het besluit van 16 oktober 2007 gewijzigd. Bij besluit van 21 juli 2008 is het besluit van 25 maart 2008 gewijzigd en het besluit van 15 december 2006 ingetrokken.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juli 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door ir. H.H. Hoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. U.A.E. Arnhold, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Bij besluiten van 15 december 2006 en 9 maart 2007 heeft het college aan [appellante] lasten onder dwangsom opgelegd. Bij besluit van 16 mei 2007 heeft het college deze lasten onder dwangsom ingetrokken. Bij besluit van 16 oktober 2007 heeft het college dit besluit tot intrekking herroepen en de voormelde lasten onder dwangsom opgeschort.
Bij besluit van 25 maart 2008 heeft het college met ingang van 1 april 2008 de bij besluit van 9 maart 2007 opgelegde last onder dwangsom ingetrokken en de grondslag van de bij besluit van 15 december 2006 opgelegde last onder dwangsom gewijzigd. Voorts is daarbij bepaald dat de begunstigingstermijn voor laatstgenoemde last afloopt op 15 april 2008.
Bij besluit van 21 juli 2008 heeft het college het besluit van 25 maart 2008 gewijzigd in die zin dat dit besluit, behoudens de intrekking van het besluit van 9 maart 2007, wordt ingetrokken. Bij besluit van 21 juli 2008 is tevens het besluit van 15 december 2006 ingetrokken.
2.2. Uit het bij brief van 10 juli 2008 door [appellante] ingediend nader stuk volgt dat haar beroep uitsluitend nog was gericht tegen de bij besluit van 15 december 2006 opgelegde last onder dwangsom. Gezien het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat deze last onder dwangsom is ingetrokken. Nu haar beroep zich richt tegen deze last onder dwangsom heeft zij geen belang meer bij de beoordeling van de rechtmatigheid hiervan. Nu ook anderszins niet is gebleken dat [appellante] nog processueel belang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de oplegde last onder dwangsom, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
2.3. Het beroep is niet-ontvankelijk.
2.4. Met betrekking tot de vraag of aanleiding bestaat om het college in de proceskosten te veroordelen overweegt de Afdeling dat moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot deze veroordeling. Een dergelijke grond kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het bestuursorgaan aan de appellant tegemoet is gekomen, in welk geval, ook indien het beroep is ingetrokken, met toepassing van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht een dergelijke veroordeling mogelijk is.
Nu met de intrekking van eerder genoemde last onder dwangsom het college tegemoet is gekomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Afdeling aanleiding het college op na te melden wijze in de proceskosten te veroordelen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Utrecht aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
III. gelast dat de provincie Utrecht aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt
Aldus vastgesteld door mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.
w.g. Hennekens w.g. Van Leeuwen
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008
373-576.