ECLI:NL:RVS:2008:BF0328
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.A.A. Mondt-Schouten
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit wegens onterecht opgelegde boete arbeid vreemdelingen
De staatssecretaris legde aan appellante een boete van €136.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Appellante stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State onderzocht of de vreemdelingen hun werkzaamheden als zelfstandigen verrichtten, wat de vergunningplicht zou uitsluiten. Uit verklaringen en contracten bleek echter dat de vreemdelingen onder gezagsverhouding van een Pools bedrijf werkten en niet als zelfstandigen. Dit betekende dat zij werknemers waren die tijdelijk grensoverschrijdende diensten verrichtten.
Volgens het EG-Verdrag en de toepasselijke richtlijnen is de vergunningplicht voor dergelijke grensoverschrijdende dienstverlening niet toegestaan. De rechtbank had dit niet onderkend. Daarom verklaarde de Raad van State het hoger beroep gegrond, vernietigde het eerdere vonnis en het boetebesluit, en bepaalde dat de boete ten onrechte was opgelegd.
De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante. De uitspraak trad in de plaats van het vernietigde besluit.
Uitkomst: De boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen is vernietigd omdat de vergunningplicht strijdig is met het EG-Verdrag voor grensoverschrijdende dienstverlening.