ECLI:NL:RVS:2008:BF0332
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- D. Roemers
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen na bezwaar en beroep
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan een eetcafé een boete van €8.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning, in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
Na een bezwaarprocedure handhaafde de minister de boete, maar de rechtbank Zwolle-Lelystad verklaarde het beroep van het eetcafé gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen. De minister stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep ontvankelijk was, ondanks een betwisting van de ondertekeningsbevoegdheid van de indieners van het hoger-beroepschrift. De Raad bevestigde dat de processtukken zorgvuldig waren voorbereid en dat het proces-verbaal van Van Leeuwen en Schaaij, hoewel niet direct aan het bezwaarbesluit was toegevoegd, voldoende in het proces was betrokken.
De Raad concludeerde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het besluit op bezwaar niet alleen op het proces-verbaal van Van Kroonenburg en Oudejans mocht zijn gebaseerd, maar dat de minister in beroep wel voldoende feitelijke grondslag had voor de boeteoplegging. Het hoger beroep van de minister werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van het eetcafé en tot betaling van griffierecht aan de Staat der Nederlanden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.