AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling rechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregel bij grensdetentie en Dublin-overnameverzoek
In deze zaak is door de staatssecretaris van Justitie op grond van artikel 6 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd aan de vreemdeling, gericht op het beletten van toegang tot Nederland. De vreemdeling stelde dat het overnameverzoek aan de Duitse autoriteiten niet tijdig was verzonden, waardoor de maatregel onrechtmatig zou zijn.
De rechtbank had geoordeeld dat de staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld bij het verzenden van het overnameverzoek, maar de Raad van State stelt dat dit criterium niet relevant is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel. De wet stelt immers geen termijn aan de duur van deze maatregel, anders dan bij inbewaringstelling.
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Tevens wordt het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard. De uitspraak verduidelijkt dat het doel van de maatregel is om toegang tot Nederland te verhinderen en dat het zicht op uitzetting niet vereist is voor de rechtmatigheid ervan.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de vrijheidsontnemende maatregel wordt als rechtmatig bevestigd.
Uitspraak
200806323/1.
Datum uitspraak: 15 september 2008
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nr. 08/26193 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 7 augustus 2008 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 juli 2008 is ten aanzien van [appellant] (hierna: de vreemdeling) op grond van artikel 6 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel toegepast, die nadien is voortgezet. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 7 augustus 2008, verzonden op 8 augustus 2008, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 15 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De minister van Justitie heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In grief 2 klaagt de vreemdeling, voor zover thans van belang, dat de rechtbank, door te overwegen dat de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) de behandeling van het overnameverzoek voldoende voortvarend ter hand heeft genomen, heeft miskend dat dat verzoek eerst op de zestiende dag nadat de vreemdeling de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd door het Bureau Dublin naar de Duitse autoriteiten is verzonden, hetgeen geen grond biedt voor dat oordeel.
2.1.1. Ambtshalve wordt het volgende overwogen.
2.1.2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Vw 2000 kan de vreemdeling aan wie toegang is geweigerd, worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats, welke ingevolge het tweede lid kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
2.1.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 februari 2003 in zaak nr. 200206669/1; JV 2003/114) is het doel van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel, als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, de vreemdeling te beletten zich toegang te verschaffen tot Nederland en is deze, anders dan ingeval van inbewaringstelling op grond van artikel 59 vanPro de Vw 2000, in beginsel niet door wet of beleid in duur gelimiteerd. Voor de oplegging van de eerstgenoemde maatregel is geen zicht op uitzetting vereist.
Daaruit volgt, dat de vraag of de staatssecretaris het overnameverzoek tijdig naar de Duitse autoriteiten heeft verzonden – en daarmee voldoende voortvarend heeft gehandeld – geen rol kan spelen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het opleggen en laten voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel, als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
De grief faalt reeds om die reden.
2.2. Hetgeen de vreemdeling in de overige grieven heeft aangevoerd, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000 met dat oordeel volstaan.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.
2.4. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.