ECLI:NL:RVS:2008:BF1403
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- P.A. Offers
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregel bij grensdetentie en Dublin-overnameverzoek
In deze zaak is door de staatssecretaris van Justitie op grond van artikel 6 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd aan de vreemdeling, gericht op het beletten van toegang tot Nederland. De vreemdeling stelde dat het overnameverzoek aan de Duitse autoriteiten niet tijdig was verzonden, waardoor de maatregel onrechtmatig zou zijn.
De rechtbank had geoordeeld dat de staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld bij het verzenden van het overnameverzoek, maar de Raad van State stelt dat dit criterium niet relevant is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel. De wet stelt immers geen termijn aan de duur van deze maatregel, anders dan bij inbewaringstelling.
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Tevens wordt het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard. De uitspraak verduidelijkt dat het doel van de maatregel is om toegang tot Nederland te verhinderen en dat het zicht op uitzetting niet vereist is voor de rechtmatigheid ervan.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de vrijheidsontnemende maatregel wordt als rechtmatig bevestigd.