Uitspraak
200302949/1;Gst. 2004, 7202, 30) heeft de wetgever in artikel 19, eerste lid, van de WRO voorzien in een naast de bestemmingsplanprocedure staande en los daarvan toepasbare bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling van een geldend bestemmingsplan voor een project. Voor de toepassing van deze bevoegdheid geldt de eis dat het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Verder dient het vrijstellingsbesluit ingevolge artikel 19a, eerste lid, van de WRO naast de ruimtelijke onderbouwing een beschrijving van het betrokken project en de afwegingen die aan het verlenen van vrijstelling ten grondslag liggen, te bevatten. Deze vereisten gelden ook bij toepassing van artikel 19, vierde lid, van de WRO. Aan deze wettelijke eisen is voldaan. Daarbij wordt onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 17 december 2003 in zaak nr.
200302477/1) overwogen dat de tekst van en de toelichting bij artikel 19, vierde lid, van de WRO geen aanleiding geven om naast genoemde eisen de eis te stellen dat bij het verlenen van de vrijstelling een nieuw bestemmingsplan daadwerkelijk in voorbereiding moet zijn. Er bestaat, nu een voorontwerp van een bestemmingsplan ter inzage is gelegd, overigens voldoende grond voor de verwachting dat de totstandkoming van een bestemmingsplan zal volgen, waarmee de door de vrijstelling mogelijk gemaakte ontwikkeling in overeenstemming zal zijn.
200201760/1) kunnen aan de ruimtelijke onderbouwing van een project minder zware eisen worden gesteld, naarmate de inbreuk van dat project op de bestaande planologische situatie kleiner is. Gelet op onder meer de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" die thans op het perceel ligt en de activiteiten die op grond daarvan ter plaatse reeds waren toegestaan, kan niet worden geconcludeerd dat het bouwplan, mede gezien het aantal te bouwen woningen en nu ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan in de directe omgeving van het project woningbouw wel is toegestaan, een ernstige inbreuk op het bestemmingsplan maakt. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht geconcludeerd dat de inbreuk van het bouwplan op het bestaande planologische regime niet groot is te achten.
200603372/1, dient een college te beslissen omtrent het verlenen van vrijstelling aan een project, zoals daarvoor vrijstelling is aangevraagd. Indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. [appellanten sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat alternatieven bestaan waarmee een dergelijk resultaat kan worden bereikt.