ECLI:NL:RVS:2008:BF8572
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- C.J.M. Schuyt
- Rechtspraak.nl
Vaststelling niet-duurzame bestaansmiddelen bij aanvraag verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd
De vreemdeling vroeg een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan, welke door de minister werd afgewezen wegens onvoldoende duurzame bestaansmiddelen. De rechtbank had het bezwaar van de vreemdeling gegrond verklaard en het besluit vernietigd. De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de partner van de vreemdeling niet gedurende een onafgebroken periode van drie jaar voorafgaand aan de aanvraag duurzame inkomsten uit arbeid in loondienst had verworven. De arbeidsovereenkomsten waren kortdurend, niet aansluitend en de werkloosheidsperioden overschreden de toegestane 26 weken. Hierdoor waren de middelen niet duurzaam in de zin van artikel 3.75 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Verder was het horen van de vreemdeling niet noodzakelijk omdat het bezwaar reeds ongegrond was op basis van de stukken. Ook werd het belang van de vreemdeling bij gezinsleven afgewogen tegen het belang van de staat, waarbij de inmenging in het recht op gezinsleven gerechtvaardigd werd geacht.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van duurzame bestaansmiddelen.