De Stichting Catharina Ziekenhuis verzocht de minister om uitbreiding van het aantal vastgestelde normatieve vierkante meters in verband met de uitbreiding en renovatie van de afdeling radiotherapie. De minister wees dit verzoek bij besluit van 13 juli 2006 af en verklaarde het bezwaar deels gegrond en deels ongegrond bij besluit van 24 mei 2007. De stichting stelde beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde bevoegd te zijn kennis te nemen van het beroep, aangezien het verzoek kwalificeert als een wijziging van de toelating op grond van de Wet toelating zorginstellingen (WTZi). De stichting voerde aan dat het verzoek niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard en dat de minister in strijd met het vertrouwensbeginsel had gehandeld, maar deze bezwaren faalden wegens gebrek aan wettelijke grondslag en onvoldoende onderbouwing.
De stichting stelde verder dat bijzondere omstandigheden zich voordeden die een actualisering van het aantal normatieve vierkante meters rechtvaardigden, mede vanwege het Planningsbesluit radiotherapie van 21 september 2000 en de gevolgen voor andere specialismen. De minister stelde dat het aantal normatieve vierkante meters slechts bij bijzondere omstandigheden wordt aangepast, zoals ongewoon snelle bevolkingsgroei die leidt tot substantiële uitbreiding van bedcapaciteit. De Afdeling vond dat de stichting onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat dergelijke omstandigheden aanwezig waren en dat het Planningsbesluit geen dwingend karakter had.
De Afdeling concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees een proceskostenveroordeling af. Het beroep werd daarmee verworpen en het besluit van de minister gehandhaafd.