Uitspraak
200510114/1, aldus de stichting.
Raad van State
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wijzigde de vastgestelde rijksbijdragen voor de jaren 1999-2003 ten nadele van de Hanzehogeschool Groningen en besloot het bedrag van €1.446.951 terug te vorderen wegens het opnemen van studenten in de bekostiging die onderwijs buiten de vestigingsplaats hadden gevolgd zonder vereiste toestemming.
De stichting voerde aan dat het onderwijs buiten de vestigingsplaats in bepaalde gevallen praktijkonderwijs betrof en dat de toepassing van artikel 7.17 WHW onterecht was, mede verwijzend naar eerdere jurisprudentie. De Raad oordeelde dat de omstandigheden van de casus niet vergelijkbaar waren met die jurisprudentie en dat de stichting onvoldoende bewijs leverde dat het om praktijkonderwijs ging.
Verder werd het betoog van willekeur door de staatssecretaris verworpen, omdat geen aanwijzingen waren dat andere instellingen binnen Nederland onderwijs buiten de vestigingsplaats aanboden zonder sanctie. Ook werd geoordeeld dat de wijziging van de vaststelling terecht kon worden gebaseerd op feiten waarvan de minister bij de oorspronkelijke subsidievaststelling niet op de hoogte was.
De Raad concludeerde dat de terugvordering geen punitieve sanctie was maar gericht op het rechtmatig toekennen van rijksbijdragen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Hanzehogeschool Groningen wordt ongegrond verklaard en het besluit tot terugvordering van rijksbijdragen bevestigd.