AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom milieuvergunning kaas- en klompenmakerij
Het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen legde op 15 september 2008 een last onder dwangsom op aan de Kaasboerderij wegens overtreding van voorschriften uit de milieuvergunning voor hun kaas- en klompenmakerij. De Kaasboerderij maakte bezwaar en verzocht de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening.
Tijdens de zitting op 20 oktober 2008 werd het verzoek tot voorlopige voorziening behandeld. De voorzitter overwoog dat het college bevoegd was tot handhaving omdat de Kaasboerderij niet binnen drie maanden na vergunningverlening een geluidscherm had geplaatst zoals voorgeschreven. De Kaasboerderij voerde aan dat de akoestische situatie was gewijzigd en dat de begunstigingstermijn te kort was vanwege de benodigde bouwvergunning en weerstand van omwonenden.
De voorzitter oordeelde dat de Kaasboerderij onvoldoende bewijs had geleverd voor de gewijzigde akoestische situatie en dat het college terecht handhavend optrad. Wel werd geoordeeld dat de kosten van het realiseren van het geluidscherm in afwachting van het bezwaarbesluit onevenredig waren ten opzichte van het milieuhygiënisch belang. Daarom werd de last onder dwangsom geschorst tot zes weken na het besluit op bezwaar.
Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht aan de Kaasboerderij. De uitspraak werd op 7 november 2008 door de voorzitter en ambtenaar van Staat uitgesproken.
Uitkomst: De last onder dwangsom wordt geschorst tot zes weken na het bezwaarbesluit en het college wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.
Uitspraak
200807423/1.
Datum uitspraak: 7 november 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats], alsmede haar vennoten Weko Beheer B.V., C & EM Beheer B.V., [vennoot A] en [vennoot B], gevestigd te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 15 september 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen (hierna: het college) aan [verzoekster] alsmede haar vennoten Weko Beheer B.V., C & EM Beheer B.V., [vennoot A] en [vennoot B] (hierna: de Kaasboerderij) een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van een tweetal als nadere eisen als bedoeld in artikel 8 vanPro het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: het Besluit) geldende voorschriften van de op 6 maart 2006 verleende vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor een kaas- en klompenmakerij gelegen aan de [locatie] te [plaats].
Tegen dit besluit heeft de Kaasboerderij bezwaar gemaakt.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2008, heeft de Kaasboerderij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Zowel de Kaasboerderij als het college hebben nadere stukken ingediend.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 oktober 2008, waar de Kaasboerderij, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. M. Gideonse, advocaat te Veenendaal, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. Tielbeke, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ter zitting is het verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van het ingevolge artikel 8 vanPro het Besluit als nadere eis geldende vergunningvoorschrift 4.1.9 ingetrokken.
2.2. Voor zover de Kaasboerderij betoogt dat de verkoopactiviteit ten behoeve waarvan de aanleg van een geluidscherm is voorgeschreven niet valt onder de reikwijdte van artikel 2 vanPro het Besluit, overweegt de voorzitter dat het hem, mede gelet op het bepaalde in de artikelen 2 tot en met 4 van het Besluit, voorshands niet is gebleken dat het Besluit niet op het geheel van verrichte activiteiten binnen de inrichting van toepassing is.
2.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de inrichting in strijd met het ingevolge artikel 8 vanPro het Besluit als nadere eis geldende voorschrift 4.1.8 van de milieuvergunning van 6 maart 2006 in werking is, nu niet binnen drie maanden na het van kracht worden van de vergunning een geluidscherm is aangebracht. Het college is dan ook bevoegd tot het toepassen van bestuurlijke handhavingsmiddelen.
2.4. De Kaasboerderij betoogt dat het college ten onrechte niet van handhaving heeft afgezien, nu de akoestische situatie sterk is gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van het verlenen van de milieuvergunning. Zo is het aantal autobussen dat de inrichting aandoet minder dan dat waarvan in het bij de aanvraag behorende akoestisch rapport is uitgegaan. Ook is de geluidbelasting vanwege de inrichting op de gevel van het dichtstbijzijnde geluidgevoelige object lager dan waarvan in het akoestisch rapport is uitgegaan. Dit omdat het op het belendende perceel verrezen bouwwerk als geluidscherm fungeert, aldus de Kaasboerderij.
2.4.1. Gezien het algemeen belang dat is gediend met de handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien een concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.4.2. De Kaasboerderij heeft de stellingname dat de akoestische situatie ter plekke sedert de vergunningverlening is gewijzigd niet nader met geluidmetingen gestaafd. Daarnaast behoort het tot de verantwoordelijkheid van de drijver van de inrichting om te verzoeken om intrekking van een nadere eis. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was door de Kaasboerderij geen verzoek daartoe gedaan. Evenmin zijn door de Kaasboerderij andere bijzondere omstandigheden gesteld, waarin het college aanleiding had moeten zien om van handhaving af te zien. Het college heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzitter dan ook terecht besloten tot het opleggen van een last onder dwangsom.
2.5. De Kaasboerderij betoogt dat de begunstigingstermijn van zes weken te kort is, nu voor een geluidscherm een bouwvergunning is vereist en het, gezien de weerstand die daartegen bij omwonenden bestaat, niet te verwachten is dat die tijdig onherroepelijk zal worden, laat staan dat een geluidscherm binnen de gestelde termijn zal kunnen worden geplaatst.
2.5.1. De door het bestuursorgaan te stellen begunstigingstermijn dient gelet op de omstandigheden van het geval toereikend te zijn. De Kaasboerderij heeft sinds het in werking treden van de vergunning ruimschoots de tijd gehad om tot het realiseren van het geluidscherm te komen. De voorzitter ziet in hetgeen de Kaasboerderij betoogt geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de desbetreffende begunstigingstermijn heeft kunnen stellen.
2.6. De voorzitter ziet echter, bij afweging van de betrokken belangen, aanleiding om de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen, omdat de kosten die gepaard gaan met het in afwachting van het besluit op bezwaar realiseren van een geluidscherm onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee gedurende deze periode gediende milieuhygiënische belangen.
2.7. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen van 15 september 2008, kenmerk VKH901/2008/17989, voor zover het betreft de opgelegde last onder dwangsom voor het overtreden van de ingevolge artikel 8 vanPro het Besluit als nadere eis geldende voorschrift 4.1.8 van de milieuvergunning van 6 maart 2006 tot zes weken na het besluit op bezwaar;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen tot vergoeding van bij [verzoekster] alsmede haar vennoten Weko Beheer B.V., C & EM Beheer B.V., [vennoot A] en [vennoot B] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 663,98 (zegge: zeshonderddrieënzestig euro en achtennegentig cent), waarvan € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Amstelveen aan [verzoekster] en de vennoten Weko Beheer B.V., C & EM Beheer B.V., [vennoot A] en [vennoot B] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
III. gelast dat de gemeente Amstelveen aan [verzoekster] en de vennoten Weko Beheer B.V., C & EM Beheer B.V., [vennoot A] en [vennoot B] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.