AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen bouwvergunningintrekking in Zaltbommel
Het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel verleende op 2 april 2003 een bouwvergunning voor het oprichten van een woning. Op verzoek van de vergunninghouders trok het college deze vergunning bij besluit van 16 maart 2006 in. Appellant maakte bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit van 2 april 2003, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk.
De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond. Appellant stelde dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard, maar de Raad van State oordeelde dat de intrekking van de vergunning rechtsgeldig en onaantastbaar is geworden, omdat appellant geen rechtsmiddelen had aangewend tegen de intrekking.
Verder bracht appellant geen feiten aan die zouden aantonen dat hij belang had bij een beslissing op zijn bezwaar tegen het ingetrokken besluit. Ook zijn beroep op artikel 7:15 vanPro de Algemene wet bestuursrecht faalde omdat de heroverweging niet tot herroeping van het besluit heeft geleid. De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
200801300/1.
Datum uitspraak: 12 november 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. 06/1962 van de rechtbank Arnhem van 14 januari 2008 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 2 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel (hierna: het college) aan [vergunninghouders] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning aan de [locatie] te [plaats], gemeente Zaltbommel (hierna: het perceel).
Bij besluit van 16 maart 2006 heeft het college, opnieuw op het door [appellant] tegen het besluit van 2 april 2003 gemaakte bezwaar beslissend, dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 14 januari 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 februari 2008, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2008, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.P. Kleijwegt, advocaat te Zwolle, en het college, vertegenwoordigd mr. E.A. Kooijman, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college het door hem tegen het besluit van 2 april 2003 gemaakte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2.1.1. Dit betoog faalt. Bij besluit van 16 maart 2006 heeft het college, op verzoek van vergunninghouders, de bij besluit van 2 april 2003 aan hen verleende bouwvergunning ingetrokken. Tegen de ongegrondverklaring van het door [appellant] tegen deze intrekking gemaakte bezwaar, heeft hij geen rechtsmiddelen aangewend zodat die intrekking in rechte onaantastbaar is geworden. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet tot intrekking van de bouwvergunning mocht overgaan, is dat tevergeefs, reeds omdat, zoals hiervoor is overwogen, thans van de rechtmatigheid van die intrekking dient te worden uitgegaan.
Voorts heeft [appellant] geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan desondanks moet worden geoordeeld dat hij belang heeft bij een beslissing van het college op zijn tegen het ingetrokken besluit van 2 april 2003 gemaakte bezwaren. Voor zover [appellant] in dit kader betoogt dat hij belang heeft bij de beoordeling van zijn bezwaar, omdat hij in verband met de behandeling daarvan om toepassing van artikel 7:15 vanPro de Algemene wet bestuursrecht heeft verzocht, is dat eveneens tevergeefs, reeds omdat de heroverweging op de grondslag van zijn bezwaar niet tot een herroeping van het besluit van 2 april 2003, in de zin van die bepaling, heeft geleid. Dat besluit is immers, zoals hiervoor is overwogen, alvorens het college opnieuw op het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar heeft beslist, op verzoek van vergunninghouders met toepassing van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder e, van de Woningwet ingetrokken.
Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college het door [appellant] tegen het besluit van 2 april 2003 gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.