AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging besluit natuurgebiedsplan Overijssel en gevolgen voor emissie-eisen
Het college van gedeputeerde staten van Overijssel stelde op 28 september 2006 het natuurgebiedsplan Overijssel vast, waarin beheersgebieden werden begrensd voor de uitvoering van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer (SAN). Appellant stelde beroep in tegen dit besluit, stellende dat de aanwijzing van beheersgebieden zou leiden tot strengere emissie-eisen op grond van de IPPC-richtlijn.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het beheersgebiedsplan geen directe planologische gevolgen heeft, omdat het de bestemming of het gebruik van de gronden niet wijzigt. De aanwijzing van beheersgebieden leidt niet rechtstreeks tot beperkingen van de bedrijfsvoering van appellant.
Verder werd overwogen dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat het plan was gebaseerd op de PSAN, terwijl het plan was vastgesteld onder de SAN, maar dit leidde niet tot vernietiging van de uitspraak omdat de regelingen nagenoeg identiek zijn. De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
200801714/1.
Datum uitspraak: 12 november 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2511 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 januari 2008 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van gedeputeerde staten van Overijssel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 september 2006 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) het natuurgebiedsplan Overijssel vastgesteld.
Bij uitspraak van 22 januari 2008, verzonden op 28 januari 2008, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 maart 2008, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 september 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door ing. L. Polinder, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Regterschot en ing. T.J. Kogel, beiden ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Bij besluit van 20 december 1999 heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, onder meer gelet op de artikelen 2 en 4 van de Kaderwet LNV-subsidies, de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer (hierna: de SAN) vastgesteld.
Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef, van de SAN, voor zover thans van belang, worden ten behoeve van de uitvoering van deze regeling beheersgebieden begrensd met de vaststelling van beheersgebiedsplannen.
2.2. De SAN ziet op de bevordering van de ontwikkeling of het beheer van natuur, bos en landschap in gebieden waar uitoefening van landbouwactiviteiten blijvend voorop staat. In het natuurgebiedsplan Overijssel, in samenhang waarmee het beheersgebiedsplan is vastgesteld, en op de daarbij behorende kaarten, heeft het college, voor zover thans van belang, beheersgebieden in Overijssel begrensd. Door de begrenzing van deze gebieden wordt het op basis van vrijwilligheid mogelijk subsidie te verkrijgen op basis van de SAN.
2.3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het beheersgebiedsplan, voor zover thans van belang, is gebaseerd op de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Overijssel (hierna: de PSAN). De PSAN is immers eerst op 15 november 2006 in werking getreden, derhalve na vaststelling van het beheersgebiedsplan. Bovendien blijven ingevolge artikel 91 vanPro de PSAN plannen die zijn vastgesteld in het kader van de SAN van kracht tot zij zijn ingetrokken of vervangen door een plan als bedoeld in de PSAN. Daarvan was ten tijde hier van belang geen sprake. Aangezien deze subsidieregeling, voor zover thans van belang, nagenoeg identieke bepalingen bevat als de SAN, ziet de Afdeling in het vorenstaande geen grond voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.
2.4. [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat als gevolg van de aanwijzing van beheersgebieden nieuwe natuur kan ontstaan en nieuwe soorten kunnen voorkomen in de nabijheid van zijn bedrijf, wat mee brengt dat ingevolge de Richtlijn 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: de IPPC-richtlijn) strengere emissie-eisen zullen gaan gelden voor zijn bedrijf. Hij betoogt, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat alleen natuurgebieden met een wettelijke en/of planologische basis van invloed zijn op de vraag of strengere emissie-eisen moeten gelden voor zijn bedrijf en de aanwijzing van beheersgebieden daarop niet van invloed is. Zijns inziens vormt de aanwijzing van beheersgebieden een beperking van zijn bedrijfsvoering en van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van zijn binnen het gebiedsplan gelegen gronden.
2.4.1. De vaststelling van een beheersgebiedsplan heeft in planologisch opzicht geen directe gevolgen voor de in het gebied, waarop het plan ziet, gelegen gronden. Door die vaststelling wordt de bestemming van die gronden noch het gebruik daarvan gewijzigd. Het plan geeft de omtrek weer van het gebied waarvoor op grond van de SAN subsidie kan worden aangevraagd ter bevordering van agrarisch natuurbeheer, zonder dat de bestemming of het gebruik van dat gebied wordt gewijzigd. De vaststelling van een beheersgebiedsplan heeft op zichzelf dan ook geen concrete gevolgen voor de bedrijfsvoering van [appellant]. Eventuele belemmeringen die hij vreest voor zijn bedrijfsvoering vloeien daaruit niet rechtstreeks voort. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat over de mate waarin eigenaren van omliggende percelen gebruik zullen maken van de subsidieregeling, tezamen met de kans dat als gevolg daarvan op die percelen vegetaties ontstaan die van betekenis zijn in verband met de IPPC-richtlijn, op voorhand geen zekerheid bestaat en dat deze vegetaties in beginsel ook zonder de vaststelling van het beheersgebiedsplan kunnen ontstaan. De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat het college bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot de begrenzing van de gebieden zoals opgenomen in het natuurgebiedsplan Overijssel. Het betoog faalt.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. G.J. van Muijen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.