ECLI:NL:RVS:2008:BG4703

Raad van State

Datum uitspraak
13 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200807779/1 en 200807779/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • D.A.B. Montagne
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake gebruik garage voor bewoning zonder vergunning

Het college van burgemeester en wethouders van Renkum heeft bij besluit van 19 februari 2008 aan appellante opgelegd het gebruik van haar garage voor bewoning te staken, onder dreiging van een dwangsom. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college op 2 juni 2008 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Arnhem verklaarde het daarop ingestelde beroep eveneens ongegrond op 16 september 2008.

Appellante stelde in hoger beroep dat de vrijstelling voor bewoning van de garage niet standhoudt en dat er een onbeperkte bouwvergunning is verleend op 27 juli 1994. Zij betoogde dat het verbod op bewoning een onrechtmatige beperking van het gebruik van het pand inhoudt en tot sloop zou nopen. Het college stelde dat deze gronden niet eerder waren aangevoerd en daarom niet ontvankelijk waren.

De Raad van State oordeelt dat de nieuwe beroepsgronden inderdaad voor het eerst in hoger beroep zijn ingebracht en geen betrekking hebben op ambtshalve te onderzoeken aspecten van het bestreden besluit. Omdat appellante deze gronden bij de rechtbank had kunnen aanvoeren, worden zij niet ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

200807779/1 en 200807779/2.
Datum uitspraak: 13 november 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 september 2008 in zaak nr. 08/2991 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Renkum.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Renkum (hierna: het college) [appellante] op straffe van een dwangsom gelast het gebruik van de garage op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) voor bewoning te staken en gestaakt te houden.
Bij besluit van 2 juni 2008 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 september 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2008, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 november 2008, waar [appellante] in persoon, bijgestaan door mr. J.W. van der Linde, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Sturkenboom, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.2. [appellante] betoogt dat - samengevat - de aan bewoning door de vorige bewoonster van de garage gekoppelde vrijstelling geen stand kan houden, zodat voor bewoning ervan op 27 juli 1994 een onbeperkte bouwvergunning is verleend en dat een verbod om de garage te bewonen tot een beperking van het meest doelmatige gebruik ervan leidt die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd en een dergelijk verbod er bovendien toe zou nopen het desbetreffende gebouw te slopen.
2.3. Het college heeft zich primair op het standpunt gesteld dat deze beroepsgronden niet eerder zijn aangevoerd en daarom thans niet kunnen leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
2.4. Dat betoog slaagt. Niet in geschil is dat deze argumenten voor het eerst in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Voorts hebben die beroepsgronden geen betrekking op aspecten van het bij de rechtbank bestreden besluit die zij ambtshalve had te onderzoeken. Nu is gesteld noch gebleken dat [appellante] deze gronden niet bij de rechtbank heeft kunnen aanvoeren, kunnen zij onder die omstandigheden reeds om die reden niet leiden tot het ermee beoogde doel.
2.5. De conclusie is dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek af te wijzen.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Montagne
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2008
374.