AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen vergunningverlening veehouderij wegens ontbreken zienswijzen
Het college van burgemeester en wethouders van Borne heeft op 20 februari 2008 een vergunning verleend aan een vergunninghouder voor het oprichten en in werking hebben van een veehouderij aan een locatie te Borne. Dit besluit is ter inzage gelegd en appellante heeft hiertegen beroep ingesteld bij de Raad van State.
Appellante stelde dat het geschrift geen besluit tot vergunningverlening inhield, maar een voornemen was. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat sprake was van een kennelijke verschrijving en dat het geschrift als vergunningverlening moest worden beschouwd. Verder betoogde appellante dat zij redelijkerwijs geen zienswijzen kon indienen omdat de kennisgeving niet juist was gedaan, onder meer omdat niet was vermeld dat het om een uitbreiding ging en dat slechts in één huis-aan-huisblad kennisgeving was gedaan.
De Afdeling oordeelde dat de kennisgeving voldeed aan de wettelijke eisen van artikel 3:12 AwbPro, dat de zakelijke inhoud van het ontwerpbesluit voldoende was vermeld en dat het college terecht volstond met één huis-aan-huisblad. Omdat appellante geen zienswijzen had ingediend en dit haar redelijkerwijs kon worden verweten, verklaarde de Afdeling het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunningverlening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet naar voren brengen van zienswijzen.
Uitspraak
200802384/1.
Datum uitspraak: 19 november 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Borne,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij geschrift van 20 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Borne (hierna: het college) aangegeven voornemens te zijn aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer te verlenen voor het oprichten en in werking hebben van een veehouderij gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit geschrift is op 22 februari 2008 ter inzage gelegd.
Tegen dit geschrift heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2008, beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M. Nijkamp, advocaat te Hengelo, en vergezeld van [vennoot A], en het college, vertegenwoordigd door A.M. Velthuis, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is daar [vergunninghouder] als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. [appellante] betoogt allereerst dat het geschrift van 20 februari 2008 geen besluit tot vergunningverlening inhoudt, omdat aan het einde ervan is vermeld dat het college voornemens is om vergunning te verlenen. Dit standpunt deelt de Afdeling niet. Zoals het college ook in het verweerschrift heeft gesteld, is hier sprake van een kennelijke verschrijving en is bij het geschrift van 20 februari 2008 (hierna: het bestreden besluit) vergunning verleend.
2.2. Ingevolge artikel 6:13 vanPro de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naarPro voren heeft gebracht.
Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, geeft het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp, waarbij volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke inhoud.
2.2.1. [appellante] heeft geen zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren gebracht. Zij betoogt dat dit haar redelijkerwijs niet kan worden verweten omdat niet op juiste wijze kennis is gegeven van het ontwerpbesluit. [appellante] voert hiertoe aan dat het college in de kennisgeving ten onrechte niet heeft vermeld dat sprake was van een uitbreiding van de inrichting, en dat de aanvraag om verlening van een revisievergunning in behandeling zou worden genomen als ware het een aanvraag om een oprichtingsvergunning. [appellante] voert voorts aan dat de tekst van de kennisgeving van het bestreden besluit afwijkt van de tekst van de kennisgeving van het ontwerpbesluit, en dat het college er ten onrechte voor heeft gekozen om maar in één huis-aan-huisblad kennisgeving te doen.
2.2.2. In de kennisgeving van het ontwerpbesluit is vermeld dat het college van plan is om een milieuvergunning te verlenen aan [vergunninghouder] voor de inrichting ten behoeve van een veehouderij met jongvee, paarden en pony's aan de [locatie] te [plaats], en dat deze vergunning verband houdt met het veranderen van het bedrijf.
Naar het oordeel van de Afdeling bevat de kennisgeving overeenkomstig artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht de zakelijke inhoud van het ontwerp van het besluit, te weten dat het voornemen bestaat om een vergunning te verlenen in verband met het veranderen van de inrichting. Dat de verandering een uitbreiding inhield, hetgeen overigens vaak het geval zal zijn bij verlening van een vergunning voor de verandering van een inrichting, behoefde niet te worden vermeld, evenmin als het feit dat de aanvraag werd behandeld als ware het een aanvraag om een oprichtingsvergunning. Artikel 3:12, eerste lid, laat verder de mogelijkheid open in één huis-aan-huisblad kennisgeving te doen van het ontwerpbesluit. Niet is gebleken dat het college er niet van kon uitgaan dat hiermee het beoogde doel van de kennisgeving voldoende werd bereikt. Dat, tot slot, de tekst van de kennisgeving van het ontwerpbesluit afwijkt van de tekst van de kennisgeving van het bestreden besluit, brengt niet mee dat de kennisgeving van het ontwerpbesluit in strijd zou zijn met de toepasselijke wettelijke bepalingen.
Nu bij de kennisgeving van het ontwerpbesluit is voldaan aan artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat [appellante]redelijkerwijs niet kan worden verweten geen zienswijzen naar voren te hebben gebracht.
2.3. Het beroep is niet-ontvankelijk.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.