ECLI:NL:RVS:2008:BG4741

Raad van State

Datum uitspraak
19 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200801273/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
  • P. Lodder
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:58 AwbArt. 8:66 AwbArt. 7:12 AwbArt. 19 lid 3 WROArt. 20 lid 1 onder e Bro
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit college Vlissingen over vrijstelling gebruik pand als balletschool

Het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen had op 31 augustus 2006 vrijstelling verleend voor het in gebruik nemen van een pand als balletschool, terwijl het bestemmingsplan het gebruik als garagebedrijf voorschreef. Appellant maakte bezwaar tegen deze vrijstelling, dat door het college werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.

In hoger beroep stelde appellant dat het college in redelijkheid geen vrijstelling had kunnen verlenen, omdat er bouwwerkzaamheden waren verricht zonder bouwvergunning. De Raad van State oordeelde dat de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling niet kan worden aangewend om verbouwingen mogelijk te maken die in strijd zijn met het bestemmingsplan zonder de vereiste bouwvergunning. Het college had zich ten onrechte bevoegd geacht vrijstelling te verlenen.

De Raad van State vernietigde daarom het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd, en het college moet een nieuw besluit op bezwaar nemen.

Uitspraak

200801273/1.
Datum uitspraak: 19 november 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [plaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/69 van de rechtbank Middelburg van 10 januari 2008 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen.
1. Procesverloop
Bij besluit van 31 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling verleend voor het in gebruik nemen van het pand aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) als balletschool.
Bij besluit van 5 december 2006 heeft het college het daartegen door appellant (hierna: [appellant]) gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder aanpassing van de voorwaarden die bij de vrijstelling werden gesteld.
Bij uitspraak van 10 januari 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 februari 2008, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] en [vergunninghouder] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 oktober 2008, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door J. Francke, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door [gemachtigde], als belanghebbende gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Anders dan [appellant] betoogt heeft de omstandigheid dat de rechtbank geen uitspraak heeft gedaan binnen de termijn als bedoeld in artikel 8:66 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet tot gevolg dat de verleende vrijstelling is vervallen. De termijn in dat artikel is immers een termijn van orde op overschrijding waarvan geen sanctie is gesteld.
2.2. [appellant] betoogt voorts tevergeefs dat het beginsel van behoorlijke procesvoering is geschaad, omdat [vergunninghouder], in strijd met artikel 8:58 van Pro de Awb, eerst tijdens de zitting bij de rechtbank stukken zou hebben overgelegd. Uit het proces verbaal van de zitting bij de rechtbank blijkt hier van niet. Dit betoog mist derhalve feitelijke grondslag.
2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Boulevard" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden en bedrijven -g. garagebedrijf (WBg)".
2.4. De begane grond van het pand, waarin de balletschool is gevestigd, is bestemd om te worden gebruikt als garagebedrijf. Het gebruik als balletschool is in strijd met die bestemming.
2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in redelijkheid geen vrijstelling had kunnen verlenen.
2.5.1. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.
Ingevolge artikel 20, aanhef en eerste lid, onder e, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro) komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de wet in aanmerking een wijziging in het gebruik van opstallen in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en het gebruik niet meer omvat dan een bruto-vloeroppervlak van 1500 m².
2.5.2. Het betoog slaagt. Ter zitting is komen vast te staan dat er bouwwerkzaamheden zijn verricht om het gebouw geschikt te maken voor het gebruik als balletschool. Hiervoor is geen bouwvergunning verleend. Nu er sprake is van een verbouwing ten behoeve van de wijziging van het gebruik is hiervoor een bouwvergunning vereist. Aangezien het beoogde gebruik in strijd is met het bestemmingsplan, kan deze bouwvergunning niet worden verleend dan nadat vrijstelling is verleend. De bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in het ten tijde van het besluit op bezwaar geldende artikel 19, derde lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder e, van het Bro kan echter niet worden aangewend voor het mogelijk maken van verbouwingen ten dienste van gebruik in strijd met het bestemmingsplan.
Gelet daarop heeft het college zich in dit geval ten onrechte bevoegd geacht vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder e, van het Bro. Het besluit op het bezwaarschrift van 5 december 2006 is derhalve genomen in strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dit miskend.
2.6. Gelet op het vorenstaande wordt aan het betoog van [appellant] ten aanzien van de geluidsproductie en de vochtoverlast niet meer toegekomen.
2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep bij de rechtbank alsnog gegrond verklaren en het besluit op bezwaar van 5 december 2006 vernietigen. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
2.8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 10 januari 2008 in zaak nr. 07/69;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van het college van 5 december 2006, kenmerk GG/ow/;
V. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 556,88 (zegge: vijfhonderdzesenvijftig euro en achtentachtig cent) waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door gemeente Vlissingen aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
VI. gelast dat gemeente Vlissingen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 359,00 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk w.g. Lodder
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2008
17-560.