ECLI:NL:RVS:2008:BG5062
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- R. van der Spoel
- P.B.M.J. van der Beek Gillessen
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring onrechtmatig vanaf aanvang wegens onjuiste ongewenstverklaring
De vreemdeling werd op 5 september 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld op basis van een vermeende ongewenstverklaring. De rechtbank 's-Gravenhage oordeelde op 22 september 2008 dat de bewaring niet langer gerechtvaardigd was en hief deze op vanaf die datum, maar wees een schadevergoeding af.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State en voerde aan dat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig was omdat de staatssecretaris ten onrechte van een volledige ongewenstverklaring was uitgegaan, terwijl sprake was van een lichtere "kleine" ongewenstverklaring. De rechtbank had volgens hem moeten concluderen dat de bewaring vanaf het begin niet gerechtvaardigd was.
De Raad van State stelde vast dat de omstandigheden die de rechtbank tot haar oordeel brachten reeds bij het opleggen van de maatregel aanwezig waren. Daarom kon de rechtbank niet volstaan met het opheffen van de bewaring met ingang van de uitspraakdatum, maar had zij moeten oordelen dat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig was.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en kende een schadevergoeding toe over de periode van 5 tot 22 september 2008. Tevens veroordeelde zij de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling had gemaakt voor rechtsbijstand.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring was vanaf het begin onrechtmatig, de bewaring wordt vernietigd en er wordt een schadevergoeding toegekend.