AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom asbestverontreiniging
Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg legde op 2 juli 2007 aan verzoekster een last onder dwangsom op wegens het niet verwijderen van een asbestverontreinigde ophooglaag, in strijd met de Wet bodemverontreiniging. Na bezwaar verklaarde het college dit ongegrond en verduidelijkte de last in een nieuw besluit op bezwaar. Verzoekster stelde beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzitter oordeelde dat het college geen bezwaarschriftencommissie conform artikel 7:13 AwbPro had ingesteld, terwijl dit in besluiten anders leek. Tevens waren er twee besluiten op bezwaar met verschillende begunstigingstermijnen, wat onduidelijkheid veroorzaakte. Het college kon onvoldoende aannemelijk maken dat verzoekster de veroorzaker van de verontreiniging was. De begunstigingstermijn van acht weken werd als te kort beoordeeld, mede omdat het college eerst een plan van aanpak moet goedkeuren.
Daarnaast werd de dwangsom van €600.000 als excessief hoog beschouwd, gezien de verwachte verwijderingskosten van €255.000. Gezien deze omstandigheden werd de voorlopige voorziening getroffen, waarbij de besluiten werden geschorst en het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De voorzitter schorst de last onder dwangsom en veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitspraak
200807806/2.
Datum uitspraak: 19 november 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 2 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd vanwege het in strijd met de Wet bodemverontreiniging niet verwijderen van een met asbest verontreinigde ophooglaag.
Bij besluit van 27 juni 2008 heeft het college het door [verzoekster] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluit van 8 september 2008 heeft het college in een nieuw besluit op bezwaar, de last verduidelijkt en opnieuw het door [verzoekster] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit laatste besluit heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 september 2008, beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2008, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 november 2008, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. M.M.W.H. Holtackers, advocaat te Tilburg, en het college vertegenwoordigd door mr. M.H. Verhees en P.F.B.A. Jansen, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. [verzoekster] voert aan dat het college de bestreden besluiten baseert op het advies van de bezwaarschriftencommissie. Dit advies is volgens haar ten onrechte niet op schrift gesteld. Evenmin wordt volgens [verzoekster] duidelijk wie in de bezwaarschriftencommissie zitting hebben gehad.
Verder voert [verzoekster] aan dat het eerste besluit op bezwaar ten onrechte niet is ingetrokken, waardoor er nu twee begunstigingstermijnen gelden. Eén termijn die gaat lopen op het moment dat het college instemt met een door [verzoekster] in te dienen plan van aanpak en één termijn die met het besluit van 8 september 2008 is gaan lopen.
Tevens stelt [verzoekster] dat het college er ten onrechte van uit gaat dat zij de veroorzaker van de verontreiniging is, dat de begunstigingstermijn veel te kort is om aan de last te kunnen voldoen en dat de dwangsom excessief hoog is.
2.2.1. Het college stelt dat er geen adviescommissie voor bezwaarschriften zoals bedoeld in artikel 7:13 vanPro de Algemene wet bestuursrecht is ingesteld. Het college voert aan dat weliswaar niet onomstotelijk is komen vast te staan dat [verzoekster] de veroorzaker van de verontreiniging is, maar dat dit wel aannemelijk is. De begunstigingstermijn van acht weken is volgens het college voldoende om de opgedragen sanering te kunnen voltooien. Het college stelt verder dat het conform het gevoerde beleid is om de hoogte van een dwangsom het dubbele van de te verwachten kosten te laten bedragen.
2.2.2. De voorzitter stelt vast dat eerst ter zitting duidelijk is geworden dat het college geen bezwaarschriftencommissie zoals bedoeld in artikel 7:13 vanPro de Algemene wet bestuursrecht heeft ingesteld. In zowel het besluit van 2 juli 2007 als in de bestreden besluiten wordt een andere suggestie gewekt.
Tevens stelt de voorzitter vast dat bij het nemen van het besluit op bezwaar van 8 september 2008 het eerdere besluit op bezwaar van 11 augustus 2008 niet is ingetrokken, waardoor er twee van elkaar verschillende besluiten en begunstigingstermijnen gelden.
Daarnaast blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat meerdere huurders gebruik hebben gemaakt van het terrein. Uit hetgeen het college ten aanzien hiervan naar voren heeft gebracht is het, naar het voorlopig oordeel van de voorzitter, onvoldoende aannemelijk geworden dat, zoals het college betoogt, [verzoekster] als veroorzaker van de bodemverontreiniging kan worden aangemerkt.
Verder is een begunstigingstermijn van acht weken waarbinnen de sanering dient te zijn voltooid, naar het oordeel van de voorzitter, te kort. Zeker nu binnen die periode een plan van aanpak door het college moet worden goedgekeurd, waardoor het verloop van de termijn niet geheel afhankelijk is van handelingen van [verzoekster].
Ten slotte is de voorzitter van oordeel dat een dwangsom van € 600.000, wat ruimschoots het dubbele is van de door het college verwachte verwijderingskosten van €255.000, onder de onderhavige omstandigheden excessief hoog is.
Gelet op het bovenstaande is de voorzitter van oordeel dat er aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.3. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg van 2 juli 2007, kenmerk PU2007-008139/JANPI, 27 juni 2008, kenmerk SE/PJZJZ/944/MV, en 8 september 2008, kenmerk SE/PJZJZ/9422/MV;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tilburg tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Tilburg aan [verzoekster] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
III. gelast dat de gemeente Tilburg aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als voorzitter, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.