ECLI:NL:RVS:2008:BG5910
Raad van State
- Hoger beroep
- J.E.M. Polak
- H.G. Lubberdink
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit minister inzake vergoeding proceskosten en immateriële schade in vreemdelingenprocedure
De zaak betreft een hoger beroep van een appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het beroep ongegrond verklaarde tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar en de afwijzing van vergoeding van proceskosten door de minister van Buitenlandse Zaken.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om vergoeding van proceskosten heeft afgewezen op grond van artikel 7:15 Awb Pro, omdat het primaire besluit vóór de inwerkingtreding van de wet van 24 januari 2002 is genomen en dus overgangsrecht geldt. Tevens is het beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit onredelijk laat ingediend, waardoor dat deel niet-ontvankelijk is.
Verder is vastgesteld dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen van appellant over het standpunt dat geen vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend, wat een schending van de hoorplicht inhoudt. De Afdeling vernietigt daarom het besluit van 13 oktober 2006 en de uitspraak van de rechtbank, en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten. Een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt niet toegekend omdat appellant geen voldoende belang had bij spoedige afhandeling en geen andere feiten heeft gesteld.
Uitkomst: Het besluit van de minister en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd, de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten, maar vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.